Al deze Stenen voor Sparen en Lenen
Hans Moolenbel
Hoofdstuk 3
Het begin van de Rabobank Westfriesland-Oost
De winter van 1898
In Brabant waren de discussies over de
vorm en inhoud van het coöperatief bankieren afgerond en de
propagandisten van het eerste uur trokken het land in om op meer plaatsen
gestalte te geven aan de ideeën van Raiffeisen. Op 13 januari komt de
heer L. van Rijckevorsel uit Eindhoven naar West-Friesland. Hij wordt
ontvangen door drie notabelen. Klaas Azn. Koopman, hij is voorzitter van
de Katholieke Boerenbond Wervershoof- Andijk en één van de rijkste
boeren uit de omgeving, maar ook één man met een sociale instelling.
Verder zijn er Pastoor Smilders en het Hoofd van de School, de heer
Leonardus van der Geest. Zij bespreken welke mogelijkheden er in
Wervershoof zijn voor de stichting van een bank. Lang duurde het overleg
niet. De tijd was er rijp voor en met grote voortvarendheid gaat Van der
Geest aan de slag met de voorbereidingen. Binnen twee weken heeft hij al
genoeg geïnteresseerden bij elkaar om een oprichtingsvergadering te
houden. De vergadering is een succes en op 26 januari 1898 is één van de
eerste Boerenleenbanken in Westfriesland een feit.
Van der Geest en Adrianus Slot, landman wonende te Wervershoof, reisden naar Hoorn om bij
notaris Bos de akte te tekenen. Slot vertegenwoordigde de initiatiefnemers
uit Wervershoof en Andijk. Zij verdienen het hier genoemd te worden:
Klaas Schoenmaker Pieterszoon, Landbouwer; Meindert Boon, Landbouwer (in
Andijk); Dirk Schouten, Landman; Cornelis Zwart, Landman; Jacob Koopman,
Burgemeester van Wervershoof; Klaas Arieszoon Koopman, Landman en Cornelis
Schouten Jacobszoon, Landman. Over de Andijkers en hun rol in de banken,
meer in een volgend hoofdstuk. De gehele akte omvatte maar liefst 26
bladzijden, met in totaal 62 artikelen in keurig foutloos handschrift.
In het eerste artikel wordt de naam vastgelegd en het werkgebied bepaald tot
"de gehele gemeenten Wervershoof en Andijk". In artikel 2 is het
doel omschreven: "Haar doel is ter verbetering van het
landbouwbedrijf:
a. aan betrouwbare medeleden het noodige geld voor te schieten;
b. aan de leden gelegenheid te geven, om ledig liggend geld veilig te beleggen;
c. een fonds te vormen of te houden."
De volgende
bepaling is essentieel en komt standaard voor in alle oprichtingsakten van
de banken die zich vestigden volgens de Wet van 1867:
* Voor het lidmaatschap wordt vereischt dat men godsdienst, huisgezin en
eigendomsrecht in Christelijke zin als de grondslagen der samenleving
erkenne en zijn gedrag daarnaar regele.
Een andere opmerkelijke bepaling is nog:
* Elk lid betaalt bij zijne intrede minstens vijftig cents en
ontvangt een te zijnen name ingeschreven spaarboekje.
Voordat de akte getekend werd, waren de functies ook al verdeeld. Leonardus van der Geest,
moest Kassier worden. Heel voor de hand liggend om daar het Hoofd van de
school voor te vragen. Hij had tenminste een goed handschrift en kennis
van boekhouden. Bovendien laten de schooltijden ruimte om er ander werk
bij te doen. Pas in 1928 zal hij die functie, door ziekte gedwongen,
neerleggen. Voorzitter van de Raad van Toezicht wordt K. Azn. Koopman, die
daarmee de titel President krijgt. Het Bestuur benoemd A. Slot tot haar
voorzitter, in die tijd ook wel aangeduid met directeur.
Oprichtingsakte
Geheel in de lijn van de gedachten van Raiffeisen besluit men in de oprichtingsvergadering om de Kassier het eerste jaar nog geen salaris te betalen voor zijn diensten. Daarmee waren ze strikter in de leer dan de meeste andere banken. Gewoonlijk mocht de Kassier wel op een vergoeding van ongeveer ƒ 25,- rekenen. ook in de volgende jaren komt daar voorlopig geen verandering in. In 1909 is het wel of niet betalen van een salaris aan de Kassier aan de orde in de Algemene Vergadering. Maar wanneer er gezegd wordt dat zijn werk een daad van "Christelijk Naasteliefde" is, weet hij dat hij voorlopig nergens op hoeft te rekenen. In november van het oprichtingsjaar is (met enthousiasme) het besluit gevallen om de bank aan te sluiten bij de Coöperatieve Centrale Raiffeisen-Bank in Utrecht. Het Bestuur was niet altijd zo eensgezind in de besluitvorming. In 1907 legt de voorzitter van de Raad van Toezicht, K. Koopman zijn functie neer, omdat hij zich niet kan verenigen met de verstrekking van een krediet. Burgemeester Jb. Koopman volgt hem op. K. Koopman deed er kennelijk goed aan zijn functie neer te leggen, want kort daarna wordt het beleid van Bestuur en Kassier in de Algemene Vergadering hoog geprezen en beloond met "een daverend applaus". Het is ieders recht om een afwijkende mening te hebben, maar binnen het Bestuur probeert men zoveel mogelijk gelijkgezind te zijn.