Kistemaker NetWerk

Groei en Bloei van de geschiedenis van Andijk
Piet Kistemaker Sr.

10. Van veeteelt naar akkerbouw

1840 tot 1890

Hoe leeft Andijk in deze jaren? 1841 is een vreselijk jaar, zware wolkenzomen spreiden onophoudelijk een regengordijn over de lage landen en de boeren kijken bezorgd naar het noordwest, dat maar niet oplichten wil. Het Padland op Krimpen ligt onder water, de bewoners kunnen hun huizen alleen over planken bereiken. Verder om de Oost is het nog erger, de molens op de molenkolk kunnen het wassende water niet aan, de weiden liggen dras, het hooi verrot op het veld, straks drijft het weg!

Het polderbestuur van het 'Grootslag' neemt geen halve maatregelen: de molens moeten verbeterd worden! Men neemt proeven met een horizontaal scheprad gebaseerd op middelpunt vliedende kracht, maar dat is een mislukking. In 1841 wordt een molen te Broekerhaven ingericht met schuinstaande vijzel, in 1842 zijn er in Grootslag al drie van dit systeem voorzien. In totaal zullen er dertien molens in deze polder, allemaal bovenkruiers, d.w.z. de kop met de wieken kan op elke wind gedraaid worden. Wat een verschil bij de standertmolentjes van 1452!

'De lustige wind, is molenaars vrind,
Hij maakt er zijn molen aan 't draaien.
Zijn molen aan 't draaien'.

De Andijkers zien graag die lustig draaiende molens daar op de hoge molenkolk! Met z'n vijven malen zij in korte tijd de kolk vol en bij gunstig tij kan er flink gespuid worden. Zo komen de natte landen weer droog, want er is behoefte aan land, aan weiden voor het vee, maar meer nog aan bouwland. Vanwaar deze landhonger? Zijn de tijden dan niet slecht? Zeker, maar juist daarom! Andijk groeit: in 1812 waren er 1160 inwoners, in 1840 zijn het er 1456. Dat is 300 mensen meer op dezelfde grond, die moeten ook eten! Het is de kleine man, die naar bouwland vraagt. Een boerenplaats kan hij niet kopen, geld voor een veebeslag heeft hij niet, elke koe moet toch zijn bunder land hebben, maar de landbouw kan hij op enkele akkers! Dit land is goed, het is vruchtbaar, het kan nog beter gemaakt worden, er zit modder genoeg in de sloten! Hij werkt en ploetert tot Allerheiligen op de bouw, dan stapt hij in de modderschuit en trekt de beugel tot de prut in zijn schuit bevriest.

Zo wroet de kleine man, hij bolkt en baggert en kruit in de wintermaanden zijn akkers hoger en hoger op! Het werk is zwaar, het is 'huidegeld', het levert slechts een karig stuk brood, het hindert niet, hij volhardt en het werk geeft hem voldoening, hij komt er, hij is nu 'eigen baas'! Het is een koppige Westfriese drang naar vrijheid en zelfstandigheid, die hem kracht geeft! Zo groeien de akkers, de Ruthakkers, de Pachtakkers en hoe ze meer mogen heten. De dikke boer gaat niet zo gauw tot landbouw over, hij houdt zijn land liever groen. Alleen als er een gokje in zit, laat hij soms een paar bunder stropen.

Baggeren, 'moddere'

Baggeren, 'moddere'

Zo'n gokje zit er in Meekrap! De Zeeuwen kweken meekrap al 150 jaar, zij hebben er kapitalen mee gewonnen. Alleen op Schouwen wint men er een millioen per jaar mee, dat moet hier ook kunnen! Is de Westfriese klei soms minder dan de Zeeuwse?

Meekrap. Karl Linne, de grote Linnaeus, noemde de plant Rubia tinctorum, d.w.z. rode verfwortel. De Romeinen kenden het gewas reeds, Plinius maakt er al gewag van. Over ltalie, Frankrijk en Belgie kwam de teelt hierheen, voornamelijk in Zeeland, waar op de vette kleigronden de plant uitstekend groeide en dat was ook de bedoeling! In ons koude klimaat geeft de plant geen zaad, hoogstens komen er wat gele bloemen aan. Daarom werd de plant voortgekweekt door wortelstokken, 'stekken'. De wortels zijn erg bros en er kunnen dus gemakkelijk stukken worden afgebroken. Die steken werden uitgezet op verhoogde en zwaar bemestte bedden, in rijen van vier. Het tweede jaar kon er geoogst worden maar het was beter de planten drie jaar te laten staan, dan waren de wortels sterker en groter. Het rooien was geen kinderspelletje: de wortels zaten verspreid en diep! Bovendien was het in de herfst nat en koud! Er werd voor het rooien een speciale spade gebruikt met een blad van 40 cm. lang en een doorgeklonken huis', dat tot aan de open 'helt' reikte.

De gerooide wortels werden eerst gedroogd in 'n 'koude stoof', d.w.z. een schuur met open latwerk, zodat de wortels goed winddroog konden worden. Was dat klaar, dan gingen ze naar de 'warme stoof' en werden daar boven vuur keihard gedroogd. 'Eesten' noemen de Zeeuwen dat. Als de wortels droog genoeg waren, werden ze gedorst, om veel kleine stukjes te krijgen.

Die stukjes werden dan tot poeder gestampt. Om deze verfpoeder was het te doen! Daarbij was het zaak te zorgen, dat er zo min mogelijk modder en stof door de verfpoeder raakte, want dat verminderde de prijs. Meekrap, met stof vermengd, gaf tenslotte een bruine kleur en geen frisse rode. Op de meekrapbeurs te Zierikzee werd daar nauwlettend op toegezien! De verf kon door huisschilders gebruikt worden. In de huisjes aan de dijk, die na de storm van 1916 gesloopt zijn, waren sommige wanden met meekrap geverfd. Maar meest werd de verf gebruikt door de textielindustrie, die juist in die tijd in Twente omhoogkwam. Vooral zware textiel, zoals de baai van de Urker vissershemden, kon goed met meekrap geverfd worden. De verfpoeder werd in grote vaten verzonden en geëxporteerd.

Jan Jonker en Pieter Schuurman pakken de zaak dadelijk flink aan: ze halen de meekrap uit Zeeland en planten er bunders van uit. In het voorjaar van 1859 klinkt het lied van de heiers in de Molenhoek: er wordt een Meekrapstoof gebouwd voor rekening van vier personen, waarvan Jan Jonker en Pieter Schuurman genoemd worden. Het vergde een flinke investering, mogelijk hebben ook Zeeuwen daar deel in gehad? Juist datzelfde jaar 1860 had het Nut van 't Algemeen 25 jaar bestaan en dat werd uitbundig gevierd! 2 Oktober was er de hele dag feest! De 'meekrapstoof' was nog splinternieuw en leeg, die kon dus best voor feestgebouw dienen! Er woei een vlag van de kap en ook een op de toren van Buurtjeskerk. Voor de middag was er feest in de Meekrapstoof. De stichters, die het gebouw 'in de loop dezes jaars daargesteld' hadden, ontvingen uit handen van de Enkhuizer burgemeester Van Bleiswijk een zilveren medaille. Zijn toespraak werd door dominee Van Campen, die pas van Opperdoes te Andijk gekomen was, beantwoord. 's Middags was er feest in Buurtjeskerk.

De overige Andijker bouwers kijken wat wantrouwend naar het uitheemse gewas met de vierkante, behaarde stengels, de stervormige blaadjes en het geelgroene bloemscherm, dat in juni begint te bloeien. Afwachten wat dat wordt! De Jonkers en Pieter Schuurman zijn vol vertrouwen.

Meekrap
Meekrap

Hoe Jan Jonker en Pieter Schuurman verder met de 'Meekrapstoof' gereild en gezeild hebben, weten we niet, maar het was een korte vreugd..... In 1870, dus pas 10 jaar later, vond de Deutsche Farben Industrie A.G. de anilineverf uit en dat betekende het einde van de meekrap! De prijzen daalden snel: van fl. 25,- per 100 pond normaal tot fl. 15,- á fl. 16,- en de teelt was niet meer lonend. Zo kwam ook de meekrapstoof te Andijk leeg te staan. Maar omdat het gebouw 'hecht en sterk en weldoortimmerd' was, kon het nog voor andere doeleinden gebruikt worden. Omstreeks 1920 was het een garage voor het autobusbedrijf van Leo Kors. Later zat Cor Smit er in met een graanmalerij en de jonge ondernemer Pieter Kooyman Reyndersz. fabriceerde er landbouwmachines.....

Zo is een poging van ondernemende Andijkers om een nieuwe bedrijfstak te vinden, op niets uitgelopen. Hoeveel keer heeft de historie zich nadien nog herhaald? Heel wat minder emotioneel is de zaadbouw. Met 'zaad' wordt tevens graan bedoeld en dit wordt hier en daar op de hoge akkers geteeld. Het is alles kleinbedrijf, geen onafzienbare graanvelden, slechts akkers van honderd, of tweehonderd roeden, hoogstens een half bunder.

Dorsen met de hand, zg. 'ter smoite'
Dorsen met de hand, zg. 'ter smoite'

Stel U de moeite van Uw voorvader eens voor: Daar staat hij op zijn hoge akker, een uur varens van huis, in de blakerende zonnehitte onder Gods wijde hemel en slaat zijn graan uit. Bosje voor bosje beukt hij op de ijzeren plaat voor hem, die hij op een paar schragen gelegd heeft. 'Terfsmijten' noemt hij dat en hij timmert er op dat de korrels in het rond spatten! Het is moeizaam en eentonig werk, maar hij ploetert door, een uur, een dag, dagen achtereen. Als dan tenslotte kaf en koren zeer zorgvuldig gescheiden zijn, kan hij zijn oogst te Hoorn of te Enkhuizen markten. Het resultaat is pover, de prijzen zijn laag; drie tot vier gulden per mud en wat moet er voor een mud niet gebeuren! Rekent U maar na: tien mud per honderd roe is een beste oogst, dat wordt hoogstens veertig cent per roe!

Het is maar goed, dat er ook andere produkten zijn, die wat meer opbrengen. Daarom verbouwt de Andijker bouwer ook specerijzaden, zoals mosterd, karwij, anijs, kervel of dille. Mosterdzaad wordt vermalen voor tafelgebruik en de apotheker verkoopt mosterdpleisters, die zo goed zijn als blaartrekkend middel.
Van de karwij maakt men kummel, wat een heerlijke drank moet zijn en de kaasmakers gebruiken het zaad als komijn voor hun kaas.
Uit anijszaad wordt olie geslagen om er anijskoekjes van te maken, die zo goed zijn in de winter om de kou te verdrijven met hete anijsmelk.
De bouwers verdiepen zich daar niet verder in, zij verbouwen omdat hun buurman het ook doet en omdat zoveel mud van 't honderd een redelijke bouwerij geeft. Waar het allemaal heen moet laten zij aan de handel over, die lui moeten maar weten waar ze er mee belanden. De handel weet dat ook en als ze het niet weet, zoekt zij nieuwe wegen. Het is de handel, die de zaadteelt stimuleert.

Als pionier van de zaadhandel mag hier met ere genoemd worden: Nanne Jansz. Groot. Hij is geboren in 1771, zoon van Jan Nannesz. Groot en Aafje Pieters' Boeier. Zijn vader is een kleine bouwer, die jaren achtereen een akker huurt van de diaconie. In 1799 trouwt Nanne. Zijn vrouw komt evenals hij uit de kleine burgerij. Lijsbeth Jans' Kort heet zij, dochter van Jan Teeuwisz. Kort en Eisje Jacobs'. Een flinke vrouw deze 'Lijp Kort'! Achttien kinderen brengt zij groot in een uitermate moeilijke tijd, Vader Nanne krijgt een zwaar gezin en het is zeker noodzaak, dat hij wat meer dan gewoon inbrengt. Wanneer hij met zijn zaadhandel begonnen is, weten we niet precies, maar in de patentenlijst voor 1813 heet hij reeds 'Grainier'. In de zomer kweekt hij zeer zorgvuldig zijn groentezaden, want hij is een secure baas. In de wintermaanden maakt hij daar pakjes van en stapelt ze netjes in de hoge 'kiep', een draagkorf aan een leren riem.
Allerlei soorten graan gaan er in: spinazie, radijs, knollen, wortelen, uien, enz. Dan gespt hij zich de kiep vast op de schouders en trekt er op uit: de zware mand op de rug en de 'goedendag' in de hand, er zwerft soms ruig volk bij de weg!

Zo komen de 'kiepkerels' uit het Münsterse heel naar West-Friesland met hun baaien en greinen en hun blauwe kousen in de kiep (een manufacturier heet nu nog een 'kousenpoep'), zo trekt vader Nanne naar Holland en Utrecht. In 1815 heeft hij reeds relaties in Haarlem, hij heeft het in zijn zakboekje genoteerd en die relaties breiden zich nog steeds uit. Hier worden grondslagen gelegd! Nazaten van Nanne Jansz. Groot zullen eens de Westfriese zaden uitdragen tot in de verste uithoeken van de wereld. 'Sluis seeds, known the world over!

Vader Nanne heeft daar nog geen weet van, hij werkt ijverig aan zijn kleine handeltje. Weldra zal hij 'Bub-Nanne' heten. Hij wordt vele malen grootvader, hij wordt stamvader van een belangrijk geslacht. De zonen komen in de zaak en nemen het reizen van hem over. Elke winter trekken zij er op uit en bewerken serieus een provincie, soms ook twee. Als in 1855 'Bub-Nanne' sterft, zet Lijp Kort een advertentie in de'Opregte Haarlemmer Courant':

'Heden overleden na een langzaam verval van kragten in den gezegenden ouderdom van 83 jaaren en ruim 6 maanden Nanne Groot in leeven koopman en teelder in tuinzaden. Ruim 55 jaaren was hij voor mij een dierbaare Egtgenoot en zorgende vader over 11 kinderen, 12 behuwdkinderen, 56 kleinkinderen en agterkleinkinderen.

Andijk, prov. Noord-Holland, 10 Maart 1855.
Lijsbeth Kort, wed. Nanne Groot.
Algemeene en eenige kennisgeving.
De affaire zal door de kinderen op denzelffden voet worden voortgezet'.

Naief dat laatste regeltje, maar adverteren is duur en zuinigheid met vlijt nietwaar? 'Op dezelfde voet'. Ze moesten eens weten, hoe die voet in latere jaren uitgroeit tot de voet van een reus, die met zevenmijlslaarzen over de wereld gaat!

Maar in 1855 is het zover nog niet. De zonen en zwagers verdelen het afzetgebied. Ieder krijgt zoveel mogelijk de provincies die hij zelf bereisd heeft.
Pieter Sluis krijgt Gelderland, Overijssel en Zeeland. Pieter Groot krijgt Friesland en Groningen en Simon Groot Noord- en Zuid-Holland. Willem Groot vestigt zich in Enkhuizen.

Omstreeks 1855 wordt dus ongeveer heel Nederland bereisd. Geëxporteerd wordt er blijkbaar nog niet. Het is alles nog binnenlandse handel en vaak nog erg primitief. Pieter Sluis kan zelf niet eens schrijven. Zijn vrouw, Aafje Groot, voert de hele correspondentie en administratie! Bij zijn overlijden gaat de zaak over aan zijn zonen Nanne en Jacob Sluis. De oudste, Nanne, is een 'kwaad rokje', d.w.z. een echte durfal. Als jongen van zeventien is hij bij een oom te logeren, 'te warskip' zeggen de Andijkers. Daar ziet hij achter de deur een geweer hangen, een echt geweer! Zijn vingers jeuken! Zou je daar echt mee kunnen schieten? Hij stilletjes met het geweer achter de dijk en... pang!, de lading springt terug en de onfortuinlijke schutter moet het zijn verdere leven met een hand doen. Misschien is het daarom, dat hij in de zaadhandel raakt, omdat hij met een hand op de bouw toch maar weinig uitrichten kan. Hij trouwt 10 April 1862 met Marijtje Schuurman, dochter van Jan Schuurman, een welgestelde boer. Reeds in het eerste jaar van zijn trouwen gaat hij naar Engeland, hoewel hij geen woord engels verstaat.

Hier begint de export van Westfrieslandse zaden, die in latere jaren zo'n geweldige vlucht neemt! Tot hiertoe is de zaadteelt te Andijk nog van beperkte omvang: tot 1864 schommelt het steeds om de 20 bunder. In '66 loopt dat op tot zeventig bunder alleen aan tuinbouwzaden.
Op 1 juli 1867 wordt te Andijk de firma SLUIS & GROOT opgericht door Nanne Sluis Pietersz. en Nanne Groot Simonsz., die weldra zwagers zullen zijn.
Op 25 April trouwt Nanne Groot met Antje Schuurman. Acht jaar later treedt ook Simon in de zaak. Hij trouwt met Grietje Schuurman, zodat het 'driemanschap' door hechte famliebanden verbonden is. Deze drie heren brengen de zaak tot grote bloei. Nanne Sluis is de baas over de bouwerij en dat gaat best, want hij kan goed met zijn volk opschieten! De heren Groot drijven de handel, voornamelijk in koolzaad. Dit is niet het koolzaad, dat in de grote polders bij bunders tegelijk verbouwd wordt (reuvekool), maar het zaad van sluitkool. Vooral witte kool, 'Brunswijkers' en 'fijne witte' zijn specialiteiten van de firma. Het bedrijf is zeer lonend, want als de 'stullen' last krijgen van 'zwart worden' en het nodig blijkt ze in smalle rijen langs de waterkant te plaatsen, laat Nanne Sluis eenvoudig enkele stukken land aan smalle akkers sloten. Het verlies aan land weegt blijkbaar op tegen de enorme winsten, die er met koolzaad te behalen zijn! En als Nanne Sluis zoiets in zijn hoofd heeft, gebeurt het ook, en spoedig! Behalve koolzaad wordt er door de firma zelf en door familie en kennissen ook ander zaad geteeld, bijv. van wortelen, sla, peterselie, selderie, uien, enz.
Tot 1 juli 1868 is ook Jacob Sluis, de broeder van Nanne, in de zaak. Jacob wil dan liever afzonderlijk handelen en de broeders  verdelen het operatieterrein.

Begin van de zaadexport, Sluis en Groot  verdelen Europa onder elkaar
Begin van de zaadexport, Sluis en Groot
verdelen Europa onder elkaar

Ze knippen de wereldkaart door, of ze Fuerst Bismarck in eigen persoon zijn: Jacob krijgt Duitsland en Nanne heel Oost-Europa met Rusland en wat er verderop nog mag liggen. Zo bewerkt ieder een stuk van de wereld (van Andijk uit) en beiden hebben succes. Jacob Sluis associeert zich met zijn jongere broeder Joost en samen stichten zij de bekende firma Gebroeders Sluis.
Beide zaken zijn nog klein, het zijn eigenlijk meer gewone bouwers met eeen handeltje erbij , maar die handel breidt zich steeds meer uit. Sluis & Groot hebben een boekhoudercorrespondent nodig, ze krijgen er een, hij komt heel uit Almkerk en heet Gerrit Struik. 'De klerk' noemen de Andijkers hem en groot is hun verwondering als reeds spoedig daarna een tweede klerk zijn intree doet. 'Sluis & Groot het nou al twei klerke!' Maakt U zich overigens van het 'kantoor' der firma geen al te weidse voorstelling: het is maar een gewoon kamertje in een hoek van het huis, waar Nanne Sluis tot 1872 woont.
In dat jaar verhuizen Sluis & Groot naar Enkhuizen. Het is een hele opschudding in het stille dorp, want de firma neemt haar personeel mee naar de stad. Daar zijn nieuwe en grotere mogelijkheden, daar zijn havens en schepen, daar is het eindpunt van de straatweg, die de stad met de wereld verbindt. De spoorweg is er nog niet, dat zal nog wel verscheidene jaren duren! Het naaste station is nu Noord-Scharwoude!

Zes jaar later trekken ook de gebroeders Sluis van Andijk weg. Zij vestigen zich in het Westeinde van Enkhuizen, iets ten westen van Sluis & Groot en in de herfst van '78 rijden de zwaarbeladen wagens van de firma's over de straatweg door de Streek en brengen de Westfriese zaden naar Noord-Scharwoude, waar de spoorlijn de verbinding met de wereld onderhoudt.

Intussen is te Andijk nog een derde zaadhandel gegroeid, eigenlijk is het de oudste. Want reeds in de 'Franse tijd', om precies te zijn op 19 September 1811 verkoopt Dirk Rood te Andijk een zak knollenzaad aan Jan Schoof te Lutjebroek en daarvoor moet hij 1 franc aan impost betalen. Het 'billet' wordt als oudste document nog door de firma Rood bewaard. Jammer genoeg is er van de verdere manupulaties van Dirk Rood Sr. niets bekend tot 1844. In dat jaar failleert te Enkhuizen de zaadhandelaar Bolten, evenals Dirk Rood een katholiek. 'De een zijn nood, de ander zijn brood'. Pieter Rood Dirksz. is een van de voornaamste crediteuren in het faillissement Bolten. Veel activa zijn er niet, dus neemt Pieter Rood de klanten maar over. De zaak Bolten verdwijnt en in 1845 wordt te Andijk de firma P. Rood opgericht. Pieter Rood gaat op reis, hij bereist Nederland in vrijwel dezelfde jaren als Nanne Jansz. Groot en zijn zonen en evenals zij werkt hij provinciegewijs: 1844 Noorden Zuid-Holland, 1846 Utrecht, 1847 Overijssel. Zo groeit deze katholieke zaak in het protestantse dorp. 'De Rode' hebben een goede naam: het zijn uiterst punctuele, secure en betrouwbare lui en daarom hebben zij het volle vertrouwen van vele protestantse tuinbouwers. Daar komt nog iets bij: Sluis & Groot en 'Gebroeders' zijn 'fijnen'. 'Grof' en 'fijn' zijn als water en vuur in deze tijd! De 'grove' tuinbouwers willen geen zaad telen voor een 'fijne' firma. Het is fout, maar het is zo en 'de Rode' danken er hun succes aan!

In 1865 wordt de firmanaam (officieus) gewijzigd in: 'P. Rood & Zoon'. Dan begint ook de export, Gerrit Rood reist in 1865 naar verschillende plaatsen in Duitsland, in '67 naar Zuid-Duitsland en Oostenrijk en in '68 naar Noord-Duitsland en Sleeswijk-Holstein. Hij is dan nog 'reiziger in loondienst'.

Al deze reizen worden ondernomen van Andijk uit en dat wil wat zeggen! De spoorlijn is nog niet tot Enkhuizen doorgetrokken, dat komt pas in 1885 en het naaste station is dus Noord-Scharwoude! Hulde aan deze pioniers, die in een tijd van postkoets en trekschuit zulke reizen durven ondernemen. Hoe primitief is nog alles. 'De Rode' zijn maar gewone bouwerlui en ze wonen in twee boerenhuizen in de Bakkershoek. Als Gerrit Rood op reis gaat, heeft hij een zwart 'frontje' voor en hij neemt een klein koffertje mee. Daar zit een wit frontje in en als hij straks in Enkhuizen komt, zal hij zwart en wit wel verwisselen. Zo gaat mijnheer Rood toch deftig op reis! Dat moet wel zo, want anders zullen zijn klanten op Andijk zeggen: 'Wat wordt die Gerrie Rood toch groosk, zommaar 'et wit voor midden in de week'.

In de jaren rond de Frans-Duitse oorlog (1870 - 1871) wordt niet gereisd en daarna wordt het oog meer op het binnenland gericht. Gerrit Rood bereist in 1872 Groningen, '73 Drenthe, '74 Zeeland en Noord-Brabant. Het volgende jaar wordt de firmanaam officieel vastgesteld als: 'P. Rood & Zoon' bij acte verleden voor notaris Nijhoff te Enkhuizen. Pas in 1897 wordt de zaak verplaatst naar Bovenkarspel.

Met eerbied en bewondering gedenken wij deze voortrekkers! Zij zijn in latere jaren meer verguisd dan vergood, in stilte en soms openlijk vervloekt. Het was niet alles edel wat zij deden, het zij zo. Zij hebben ieder voor zich een belangrijk deel bijgedragen tot de bloei van ons gewest, ook en vooral in moeilijke jaren. Het was hun persoonlijke invloed, die de zaadteelt stimuleerde en hun persoonlijke moed, die uitwegen zocht voor heel het volk in benauwende tijden. Toch is in de zeventiger jaren de tuinzaadteelt niet het belangrijkste. De grootste oppervlakte wordt nog steeds met landbouwzaden bezaaid. Het zijn mosterd en karwij, die de boventoon voeren. Vooral karwij, waar zo'n heerlijk gokje in kan zitten! Waarvan de prijs schommelt van 9 tot 26 gulden per mud. Geen wonder, dat men in de binnendorpen de Andijkers weldra de 'kerwaaiwuders van de Noordik` gaat noemen! Het is karwij en nog eens karwij. In de jaren na '70 bedraagt het areaal plm. 200 bunder, maar in '71 loopt dat op tot driehonderdzesenveertig bunder!

Natuurlijk volgt een inzinking. In '83 is de teelt teruggelopen tot nog geen 120 bunder. Maar in de herinnering van de bouwers leeft deze 'Gouden Eeuw' nog zeer lang na en in '86 is de 200 bunder reeds weer bereikt. In Juli van datzelfde jaar komt de vreselijke 'karwijstorm', een nacht om nooit te vergeten! De sterkste huizen trillen op hun grondvesten, zo gaat de storm tekeer. Achttien hozen worden er geteld en de volgende morgen ligt de karwij her en derwaarts verspreid. Een groot deel is in de sloten terecht gekomen. Zelfs op het buitenland ligt karwij, mogelijk is een deel naar Friesland afgedreven! Een schadepost, die nog lang heugt. Na '90 neemt de karwijbouw af, om zich niet weer te herstellen. Andere produkten nemen haar plaats in en daarvan is de vroege aardappel zeker de belangrijkste.

 

Akkerbouw 1884

Meer dan twee eeuwen zijn hier reeds aardappelen geteeld. Op 20 Mei 1770 levert Meindert Groen reeds aardappelen aan de diaconie. Sindsdien zijn er steeds aardappelen verbouwd, zij het dan ook in geringe hoeveelheid. Tot 1867 is het nooit veel meer dan 30 bunder per jaar geweest, maar dan begint de teelt te stijgen. In '71 is de 80 bunder bereikt en nog steeds wordt de teelt meer uitgebreid. De afzet wordt gezocht in de nabije steden: Enkhuizen, Medemblik en, last but not least, Hoorn, waar een flinke groentenmarkt is op het Nieuwland.

Daar komen de schuitjes uit Andijk, uit de Streek en uit de Bangert bij elkaar met hun diverse last: Andijker muizen, kool en wortelen uit de Streek en fruit uit de Bangert. Voor de Andijkers is het een lange zware reis: zeven uur bij stil weer of tegenwind en zes uur bij een gunstige zeilwing! Dat is maar zelden, want in de Bangert kan het niet van de vele bruggetjes en om de Noord niet van de vele rieten hekken. Dat wordt dus zeven uur aan de kloet: eerst het zuiden in tot Lutjebroek en dan steeds maar west op, langs de Tocht tot Westwoud en langs de Westerwijzend tot aan het Bangerterrad. Daar hebben de schippers en hun hulpen gelegenheid eens 'op te steken'. Daarna maar weer verder door de Bangert naar Hoorn. De vaarders ('schipper' is een wat weids woord) nemen vaak een opgeschoten jongen mee, die de lijn kan trekken in de meest letterlijke zin of de schuit sturen als de vaarder dat baantje overneemt. Zo'n jongen kost niet veel: we kennen het verhaal van de jongen, die van Luitjebroek' tot de Bangert v.v. de schuit getrokken had en tegen wie de vaarder bij de thuiskomst (de volgende middag) zei: 'Koik zeun, hier heije een dobbeltje, nou zel je moeder wel bloid koike!'

Op de terugweg nemen de vaarders gewoonlijk fruit uit de Bangert en bloemkool uit de Streek mee en maken zo een extra-winstje. Overigens hebben ze dat winstmaken' geheel aan zich zelf: ze krijgen de aardappelen van de bouwers vol vertrouwen mee en wat ze uitbetalen moet goed zijn.

Misschien is dat ook wel goed en misschien hapert er wel eens wat. Iedereen is er niet mee tevreden. Daarom wordt op 27 januari 1882 bij Willem de Haas te Andijk opgericht de 'Vereniging tot bevordering van de landbouw en de verzending'. Lang niet alle aardappelteIers zijn er lid van. De nieuwe vereniging heeft slechts 45 leden en het is lang geen botertje tot de boom in de eerste jaren! Het eerste boekjaar geeft een nadelig saldo van 500 gulden en het tweede nog een van tweehonderd. Maar de pioniers zijn ook hier weer uit het goede hout gesneden: de voorzitter Pieter Sluis en de secretaris Jacob Tensen houden de kop er voor en laten zich door wat tegenslag niet direct ontmoedigen.

Als in '83 de prijs naar hun zin te laag is, laten ze 3000 zak aardappelen in kelders opslaan in afwachting van betere prijzen. Het wordt beter: het gaat met 'Akkerbouw', zoals de vereniging verder genoemd wordt, steeds crescendo. Er wordt zelfs afzetgebied buiten Amsterdam gezocht. De bestuursleden reizen in '84 naar Muiden en Weesp, in '85 naar Utrecht en Arnhem en in '86 naar Leiden, Den Haag en Rotterdam. Zo raken de 'Andijker muisjes' over het hele land bekend. ja, het oog wordt op het buitenland gericht: in '87 wordt de makelaar in Rotterdam opgedragen te zorgen, dat de aardappelen ook in Duitsland komen! De teelt heeft weldra de 200 bunder per jaar bereikt! In '89 heeft de vereniging 144 leden, dat is in 7 jaar 100 leden gewonnen.

De vaart op Hoorn vermindert bij de dag, de vaarders brengen de aardappelen nu naar Broekerhaven, waar ze worden verscheept naar Amsterdam. Voor 65 gulden per week heeft schipper Davidson dat aangenomen. Voor de piepers in het schip gaan worden ze gekeurd en dat doen de bestuursleden zelf.
Ze krijgen daarvoor een vergoeding van 70 cent per dag! Daarvoor moeten ze al vroeg uit de veren, 's morgens om vier uur stappen ze in hun schuit en varen naar Broekerhaven. Een vrachtje aardappelen nemen ze mee, dat spaart vaardersgeld uit. Dan houden ze de hele dag toezicht op het overladen, tot plm. vier uur in de middag en gaan dan per schuit naar huis terug. Veertien uur werken voor zeventig cent! Later wordt de vergoeding verhoogd tot een daalder, maar dat lokt oppositie uit: waarom moet zo'n bestuurslid een daalder hebben, als een beste werkman achttien stuivers verdient? Hoe genoeglijk rolt het leven.

Intussen wordt alles op alles gezet om de teelt zoveel mogelijk te vervroegen.
Dat is een groot belang voor Andijk. We moeten hier klaar zijn voor de grote massa komt. Als de polderboeren met hun grote vrachten komen, gaat de prijs er af! Daarom vroeg, vroeg! Dat kan, want Andijk is voor de vroege aardappelteelt bijzonder gunstig gelegen. De late nachtvorsten, die in het binnenland zoveel schade aanrichten, zijn hier veel lichter, omdat de lucht hier vochtiger is. Daarom kan het poten hier al beginnen 'op de zes weken', d.w.z. 6 weken voor Mei. Eerder gaat het niet, het gevaar voor afvriezen is dan nog te groot en ook is de grond voor half Maart nog te nat en te koud om enig gewas te krijgen. Dat is het juist: zon en warmte moet er komen! Daarom wordt alles gedaan om die warmte zoveel mogelijk te bewaren. Op elke 25 meter wordt een rieten hek geplaatst. Het bestuur reist naar Gelderland en koopt daar wagenvrachten dennenslieten. Uit zo'n lange sliet kan een hekstok en een aanbinder' gezaagd worden en soms blijft nog een 'stullestok over. Het gaat om flinke kwantums: in '85 worden door de vereniging gekocht: 6000 hektakken, 6500 slabonenstokken en 31.500 stullestokken. Het bestuur koopt ook riet en teertouw en de bouwers maken in het voorjaar zelf de rietmatten.
Ze schieten het korte riet er uit en spreiden het overige op de vloer van de schuur over twee scheringen van teertouw. Het overblijvende touw wordt op stokjes gehaspeld en dan naaien ze met een grove kettingsteek het riet op de scheringen vast.

Een kleverig werkje! Dan volgt het hektakkenpoten: keurig in de rij, drie voet van elkaar, allemaal iets schuin naar binnen en van boven allemaal even hoog worden de hekstokken in de grond gezet, een schering van ijzerdraad gemaakt en de matten uitgerold. Aan de kanten worden nog 'vleugels' gemaakt van kortere stokken en korter riet. Dan is het doel bereikt: warmte vangen en wind keren! De koude noordewind zingt een eentonig zingzang door het riet, het mag niet hinderen, aan de zuidkant hangt een zwoele warmte en de piepers worden letterlijk 'klaargestoomd'. Vooral als de poters vooraf nog met trammest of compost overgezet zijn. Ook aan de poters wordt bijzondere zorg besteed. Het pootgoed wordt regelmatig ververst, heel uit Saksen worden 'gelbe Sechswochen-Kartöffeln gekocht om maar frisse poters te hebben.

Vooraanstaande bouwers als Willem Groen en Willem. Singer nemen selectieproeven, ze schieten de beste stammen uit. Ze sorteren hun poters op grootte, ze nemen proeven met doorgesneden poters, ze brengen de teelt vooruit! De ouderwetse bouwers lachen daar wat om, het is altijd goed gegaan, vader pootte ook altijd kriel, allemaal kouwe drokte die 'seleksie'. Maar weldra zullen ze begrijpen, dat het zo moet, want Willem Singer c.s. zijn de anderen ver de baas.

Dan komt de rooitijd. 'Pieter Groot spit al een kwart uit de hekstreep!' Een fleurig gezicht die eerste kwart mandjes: een flinke kop van gele aardappeltjes met een netje er op. Van boven netjes vastgestrikt op een bosje fris-groen aardappelloof De eerste halfmudsmanden evenzo, beide voorzien van het verenigingsmerk: de driehoek met de stip er in, het alziend Godsoog! Zo gaan ze naar Broekerhaven en door de keur! Want er zijn er, helaas, die onder deze fraaie tooi rommel durven verbergen: zieken, aangestokenen, halven, groenen of wat nog erger is; 'modder'. Die raken onherroepelijk in de keur, want de Calvinistische keurmeesters zijn streng rechtvaardig! De bekeuring wordt op het leveringsbriefje aangetekend en als de geldbezorger met zijn leren tas binnen komt is dan ook zijn stereotiepe vraag: 'Was je nag in de keur ok?' Zo ja, dan wordt van de uitbetaling een vast bedrag gekort. Dat eerste vroege-aardappelgeld, wat een uitkomst! Hoe lang is er reeds op gewacht. Het weinige geld, dat de Kerstuitbetalingen van de zaadfirma's bracht, is bij de arme bouwertjes al lang weer op en ze poffen dan maar 'weer op de vroege piepers af'. De rekeningen van bakker en kruidenier lopen schrikbarend op van Maart tot half Juni. De vroege aardappelen moeten uitkomst brengen.

0 wee, als die teelt een mislukking is! Want dat kan ook, het zijn de nachtvorsten, die in een nacht alle hoop kunnen neerslaan. Die nachtvorst is een zeer grimmige vijand. Een zo'n nachtvorst, dat betekent een halve oogst, kans op ziekte, veel kriel, lage prijzen en dergelijke angstfantomen meer. Een zo'n nachtvorst, wat een mistroostig gezicht. 's Avonds tevoren een welige baan met glans op het loof en de volgende morgen alles zwart en verflenst.

Is daar nu niets aan te doen? Toch wel: onze bouwers hebben bemerkt, dat nachtvorst de meeste schade doet bij ijle lucht. Bij vochtige lucht vriest het minder. De oplossing ligt voor de hand; de lucht zwaarder maken! Maar waarmee? Besproeien met water kan niet, dat geeft ijzelvorming op de bladeren Eureka! Met rook zal het gaan! Dus trekken ze er bij nacht op uit met vuur testen en komforen, die ze in de greppels plaatsen. Een veldersbuis over de schouders en dan maar stoken, tot de gelige walm over de velden trekt. Zo houden ze althans de dure hekstreep uit de vorst! 'Altijt waecksaem...'

Roken tegen nachtvorst
Roken tegen nachtvorst

Er wordt voor alles op kwaliteit gewerkt. Het bestuur koopt petroleumstellen, Original-Haller, en de bestuursvrouwen koken proefmonsters, opdat de hoofdstedelingen toch maar vooral fijnsmakende Andijker muisjes op tafel zullen krijgen. Lange jaren gaat dat goed, maar het is tenslotte de export, die de Andijker muisjes van de markt dringt. Het buitenland vraagt veel minder naar kwaliteit, de aardappelen worden er meer gebakken dan gekookt. Het is daar salat, puree, potage en frite al wat de klok slaat en de Duitsers koken de aardappelen met schil incluis. Niet naar kwaliteit maar naar kwantum is nu de vraag. In de Streek worden grove soorten op de wijde regel verbouwd, met bloemkool er tussen. Nieuwe soorten komen op de markt: Julimuizen, Wilde Duc, Koksianen, Ninetyfold. De vaart op Amsterdam vermindert. Bovenkarspel wordt de markt! Honderden schuiten gaan daar dagelijks onder de klok door. Duizenden kilo's worden daar in de wagons geladen. Hijgend trekken de zware Jumbo's de lange aardappeltreinen uit 'de put' en in de stille Julinachten daveren ze langs het glimmend spoor naar de Duitse buren. De aardappelteelt. is een massabedrijf geworden en Andijk heeft er een groot aandeel in. Met gepaste bewondering herdenken we de voortrekkers: Pieter Sluis, Jaap Tensen, Pieter Hasselman, Willem Singer, Willem Groen en hoe ze verder geheten mogen hebben, mannen uit een stuk, die de kop er voor hielden, ook in moeilijke tijden!

Andijk is een tuinbouwdorp geworden, het aantal inwoners neemt steeds toe.
Het is meer dan verdubbeld sinds de stichting van de gemeente Andijk in 1812.
Er moet brood zijn voor vele monden. Daarom wordt steeds meer groen land gestroopt, de veeteelt neemt zienderogen af. Het aantal koeien was omstreeks 1850 nog bij de 1000, in 1890 is het tot 600 gedaald. Bij elk 'versterf' wordt het land in kleinere stukken verdeeld. Op zo'n klein erf kun je geen veehouder blijven, de boerenzonen worden tuinbouwers. Het standsverschil verdwijnt meer en meer, dikke boeren worden zeldzaam. Hier groeit een werkend volk! Er is behoefte aan huizen, hele buurten worden bijgebouwd. In de Kathoek bouwt men op 'Schokland' een hele rij tuindershuisjes, die nog geen duizend gulden per stuk kosten. Andijk groeit, het ziet vol vertrouwen de toekomst tegemoet.

 

Vroege aardappelteelt in West-Friesland

Wanneer hier de eerste aardappelen werden geteeld en wie hier de eerste poters bracht, we weten het niet. Niemand heeft het voor ons opgetekend.
Wel vonden we in het 'Reekenboek' van de Hervormde Diaconie te Andijk:

'1770, 20 May aan Meindert Groen aardappelen voor David 00.18.00'

Hoeveel aardappelen Meindert Groen voor de achttien stuivers geleverd heeft, staat er niet bij. Toch was dat al vroeg, want volgens de geschiedschrijvers waren aardappelen in 1742 nog een zeldzaamheid op een Prinsenmaal en gingen in 1771 de eerste Friesche aardappelen naar Amsterdam.

Van veel betekenis kan die eerste teelt hier niet geweest zijn, want uit een opgaaf aan de Onder-Prefect te Hoorn in 1812 weten we, dat er toen slechts een zevende van de totale oppervlakte van Andijk en Wervershoof uit bouwgrond bestond. De rest was nog allemaal groen en veeteelt was toen nog hoofdzaak. En de opbrengst.... een mud van de tien roeden!
Het 'Reekenboek' geeft ook enkele malen de prijs. Zoo bijvoorbeeld:

1809 Klaas Mantel van aardappelen 30 manden
1816, 22 April aan KLaas Rol voor 20 manden aardappelen
1816, 11 Oct. aan Klaas Pietersz. Rol 5 mnd. aardappelen
 09.00.00
 07.00.00
 02.05.00

Weinig aanlokkelijke prijzen zouden wij zoo zeggen; maar het zou nog erger worden. Dat was in 1846, toen de aardappelziekte een nationale ramp werd.
Van zeldzaamheid op een Prinsenmaal was de aardappel in die honderd jaar geworden tot het belangrijkste volksvoedsel en dat voedsel was nu opeens waardeloos geworden, rot en stinkend. Voorwaar een ramp, zoowel voor boer als voor stedeling. Hoog klom de nood, die slechts spaarzamelijk werd gelenigd door uitdeling van graan en door werkverschaffing.

Het getuigt dan ook van durf dat onze Andijker bouwers zich omstreeks 1850 meer gingen toeleggen op de aardappelteelt, hoewel dat natuurlijk in geen vergelijk mag staan met de teelt van tegenwoordig. Overigens was Andijk een uitverkoren plekje voor die aardappelteelt. De zware klei was vruchtbaar en gunstig gelegen achter de zware zeedijk. Het klimaat was er frisch en de kans op nachtvorst gering.

De afzet van de eerste aardappelen werd gezocht in de naastbijgelegen steden, waarvan Hoorn de grootste was. Het vervoer ging per schuit, eerst naar het Zuiden tot Lutjebroek en dan steeds westelijk, langs de Tocht tot Westwoud en langs de Westerwijzend tot aan het Bangerterrad. Daar moest de schuit over de weg getakeld worden en hadden de schippers met hun hulpen gelegenheid eens 'op te steken'. Daarna ging het weer verder door de Bangert naar Hoorn, waar op het Nieuwland groentemarkt was en de verschillende schuitjes uit Andijk, de Streek en de Bangert bij elkaar kwamen met hun diverse last: Andijker muizen, kool en wortelen uit de Streek en fruit uit de Bangert.
Voor de Andijkers was het een lange en een zware reis; zeven uur bij stil weer of tegenwind en zes uur als de wind gunstig was en men kon zeilen.
Dat was maar zelden want in de Bangert kon het niet van de vele bruggetjes en om de Noord niet van de vele rieten hekken, waarover later meer.

De vaarders, 'schipper' is wel wat weidsch voor een schuit van 1500 kilo, namen daarom vaak een 'opgeschoten' jongen mee, die dan voor de lijn kon trekken of soms ook eens sturen als de vaarder zelf trok. Dat ging in dien ouden tijd voor een koopje. Zoo hebben wij hooren vertellen van een jongen, die op zoo'n nachtelijke reis meegeweest was en van Lutjebroek tot de Bangert v.v. voor de lijn geloopen had. Toen ze de volgende middag thuis kwamen, grabbelde de vaarder wat uit zijn blauwwollen beursje met de witte ringetjes en zei: 'Koik zeun, hier heije een dobbeltje, nou zel je moeder wel bloid koike!'

Later werden de jongens vervangen door trekhonden. Dat was met recht een 'hondenbaan'! Met een doornat lijf de zware schuit voortzeulen langs de ongelijke wallen, bij elk dwarsslootje weer te water. Met een plons namen ze zoo'n hindernis om maar zoover mogelijk te komen en dan weer krabbelen tegen de volgende wal op, even flink het water afschudden en weer verder tot de volgende hindernis. In de zomer was het niet zoo erg, maar daarachter kwam de herfst met gure wind- en regenvlagen, brrr wat een hondenbaan! Enfin de vaarders waren heelemaal niet kleinzeerig, de schuit kwam zoo best vooruit en verder, 't was maar een hond! Zoo voeren ze dan, tot groote ergernis van de Streeker bloemkoolbouwers. Want als die snaarstijf gespannen lijn een bloewmkool van de walregel raakte, zwiepte die meteen de lucht in en werd goede prijs verklaard. Je kon ze toch niet zoo maar laten drijven.
De verbolgen Streekers zonnen op wraak en heiden flinke palen in de wallen, tot groote ergernis van de vaarders en tot vreugde van de honden die nu de kans schoon zagen om de lijn kapot te trekken en de groeten van de vaarder aan zijn vrouw over te brengen waarbij de vrome wenschen gelukkig onvermeld bleven. Op de terugweg namen de vaarders gewoonlijk fruit mee uit de Bangert en bloemkool van de Streek en maakten zoo een extra winstje.
Overigens hadden ze het winst maken geheel aan zichzelf, ze kregen de aardappelen in vol vertrouwen van de bouwers mee en wat ze uitbetaalden moest goed zijn.
Toch was ieder hiermee op den duur niet tevreden. Mogelijk ook haperde er wel eens iets. Daarom werd op 27 Januari 1882 bij Willem de Haas te Andijk opgericht de 'Vereeniging tot bevordering van de Landbouw en de verzending', aanvankelijk met 45 leden. Voorzitter was P. Sluis Pz. die later naar America vertrok en secretaris Jacob Tensen Wz. Kerels met durf en harde werkers!

Want erg florissant ging het de eerste jaren nog niet: het eerste boekjaar gaf een nadeelig saldo van ruim vijfhonderd gulden en het tweede nog een van tweehonderd. Daarna ging het beter. Maar het bestuur van 'Akkerbouw', zooals de vereeniging naderhand genoemd werd, liet zich door die tegenslag niet ontmoedigen; als echte Westfriezen hielden ze de kop ervoor. De aardappelen werden nu niet naar Hoorn maar naar Amsterdam gezonden. Per schuit ging het nu naar Broekerhaven, waar ze overgeladen werden in een tjalkschip.

De oude notulen van 'Akkerbouw' geven verschillende byzonderheden over de tarieven waarvoor gewerkt werd. Zoo kregen de vaarders 20 cent per zak voor de vaart naar Broekerhaven, terwijl de schipper (Davidson) aangenomen werd voor 65 gulden per week! De bestuursleden, die op de verzending toezicht hielden, ontvingen daarvoor een vergoeding van 70 cent per dag. Daarvoor moesten ze dan om vier uur in de morgen op en met hun schuitje door de polder naar Broekerhaven. Een vrachtje aardappelen ging mee, want dat spaarde vaardersgeld uit. Dan de heele dag te Broekerhaven toezicht houden tot plm. vier uur in de middag. Twaalf uur werken voor zeventig cent. Later werd dat toch wat weinig gevonden en de vergoeding verhoogd tot een daalder per dag. Wat dan weer oppositie uitlokte, want als een werkman achttien stuivers verdiende, waarom moest dan zo'n bestuurslid een daalder hebben? Hoe genoeglijk rolt het leven....
De makelaar te Amsterdam kreeg 15 cent van elk mud en de 'geldrondbrenger' te Andijk 1 cent per zak.
Al het mogelijke werd in het werk gesteld om de teelt zooveel als het kon te vervroegen. Immers de vroegste aardappelen waren ook de duurste. We moesten hier klaar wezen voor de piepers uit andere streken van het land kwamen. En dat kon; Andijk lag daarvoor byzonder gunstig. Maar vroeg poten alleen hielp niet en was gevaarlijk vanwege de nachtvorsten. Daarom werd algemeen begonnen 'op de zes weken', dat wil zeggen 6 weken voor Mei, dus half Maart. Er werd gewerkt op kwaliteit, lekkere aardappelen, niet te groot van stuk. Daarom werden ze tamelijk dicht in elkaar gezet, 14 duim was de gewone maat, een enkele die wat meer durfde waagde het op 16. Om de aardappelen zooveel mogelijk te vervroegen werden hekken geplaatst van rietmatten. Het bestuur van 'Akkerbouw' trok naar Gelderland en kocht daar wagenvrachten dennenslieten. Uit zoo'n lange sliet kon dan een hekstok en een 'aanbinder' gezaagd en soms schoot er ook nog een 'stullestok' over. Zoo werd in 1885 door de vereeniging gekocht: 6000 hektakken, 6500 slabonenstokken en 31.500 stullestokken.

Zoo gaf de vroege aardappelteelt aan vele handen werk, ook buiten Westfriesland. De rietmatten werden in het vroege voorjaar door de bouwers zelf gemaakt. De vereeniging kocht daarvoor riet en teertouw (gewoon wit touw was te gauw verteerd), en het spul kon beginnen. Het te korte riet werd uitgeschoten en het overige op de vloer van de schuur uitgelegd. Het teertouw werd op stokjes gehaspeld en dan werd met een grove kettingsteek het riet op de schering vastgenaaid. Een kleverig werkje!
Later werden de matten compleet door de rietmattenfabriek afgeleverd. Waren de matten klaar dan volgde het 'hektakken poten', wat nog ieders werk niet was. Ze moesten netjes gepoot worden: diep genoeg en alle in den zelfden stand, zoodat het hek volkomen aan den eisch voldeed om de wind te keeren en de zon te vangen. Ook moest het allemaal even hoog zijn en niet zooals een amateur dat deed: eerst de hekstokken poten en dan met een trapje erbij om de koppen gelijk te zagen!
Aan de kanten werden van kortere stokken en korter riet zogenoemde vleugels gezet, om toch naar alle wind te keeren en alle zon binnen het hek te hebben. Want van de warmte moest het komen. Met prima Fransche bindteen werden dan de 'aanbinders' op de matten vastgebonden en kon de wind zijn zing-zang door het riet beginnen, vol melodieuze trillers. Op zonnige dagen hing er in zoo'n 'hekstreep' een zwoele warmte. De aardappelen, vaak nog 'overgezet' met trammest of met compost werden dan ook letterlijk klaar gestoomd.

En als dan 's avonds in de scheerwinkel verteld werd: 'Pieter Groot spit al een kwart uit de hekstreep', ja dan was de rest ook niet meer te houden en ging overal de schop erin. Een fleurig gezicht was dat; zoo mooi als die eerste kwartmandjes opgetuigd werden: een flinke kop van gele aardappeltjes er op met een netje erover, netjes dichtgestrikt over frischgroen aardappelloof. De mandjes werden alle gemerkt met het merk van de vereeniging: een driehoek met een stip erin; het Alziend Godsoog. Ook de halfmudsmanden werden zoo opgemaakt en zoo gingen ze naar de Broekerhaven met het schip naar Amsterdam en zoo kwamen ze op de groentekarren. De eerste Andijker muisjes! Te Broekerhaven gingen ze door de keur. Want er waren er, die onder dien fraaien tooi rommel durfden verbergen: aangestokenen, halven, groenen, of - wat nog erger was: 'modder'. Die raakten onherroepelijk in de keur, die op het levering briefje aangetekend werd. Als dan de geldbezorger met zijn leeren tasch rond kwam, was zijn stereotiepe vraag: 'Was je nag in de keur ok?' Dan werd van de uitbetaling een vastgestelde korting ingehouden.

Nu had die vroege aardappelteelt een zeer grimmige vijand: de nachtvorst!
Een zo'n nachtvorst beteekende een halve oogst, telaat, kans op ziekte, veel kriel en dergelijke angstfantomen meer. Een zoo'n nachtvorst bood een mistroostig gezicht; 's avonds tevoren een welige baan met glans op het loof en de volgende morgen alles zwart en verflenst. Heusch die dichter die het had over die 'rampzalige aardappellanden' moet wel zoo'n baan hebben gezien. Was daar nu niets aan te doen? Toch wel! Onze telers hadden opgemerkt, dat nachtvorst de meeste schade deed bij een ijle lucht. Als de lucht ietwat vochtig was, vroor het minder. De oplossing was dus: de lucht zwaarder maken! Maar waarmee? Besproeien met water kon niet, dat zou ijzelvorming geven. Eureka: rooken! Zoo trokken ze er dan 's nachts op uit met vuurpotten en komforen, die ze in de greppels plaatsten. De veldersbuis over de schouders en maar stoken tot de gelige walm over de velden trok, zoo hielden ze althans de hekstrepen uit de vorst: 'Altijt waecksaem'.

Na de eerste moeilijke jaren ging het met 'Akkerbouw' steeds crescendo. Er werd reeds afzegebied buiten Amsterdam gezocht. In '84 reisden de bestuursleden naar Muiden en Weesp, in '85 naar Utrecht en Arnhem en in '86 naar Leiden, Den Haag en Rotterdam. Zoo raakten de Andijker muisjes weldra over het heele land bekend. Ja, men richtte de blik reeds over de grenzen. In '87 werd de makelaar in Rotterdam opgedragen te zorgen dat de aardappelen ook in Duitsland kwamen. In '89 had de vereeniging reeds 144 leden, dat was dus in 7 jaar 100 leden gewonnen. In dat jaar kwam ook de aardappelziekte ter sprake. Als bestrijdingsmiddel werd 'Vitriool-speksteen' aanbevolen, dat als stuifmiddel dienst kon doen. In '94 werd contact gezocht met de vereeniging in de Streek om voor gezamenlijke rekening op Amsterdam te varen. Ook werd toen door de vereeniging voor het eerst Chilisalpeter aangekocht. In '95 werd 7.000 zak aardappelen te Amsterdam in kelders opgeslagen, in afwachting van een betere prijs. In '83 was dat reeds met 3.000 zak gedaan. Voor alles werd gewerkt op kwaliteit. De vereeniging had zelfs eigen petroleumstellen, waarop door de echtgenootes van de bestuursleden de proefmonsters werden gekookt.

De nieuwe eeuw bracht verandering. De export overvleugelde de binnenlandsche handel geheel. Er kwam meer vraag naar grovere soorten. In de Streek werden de aardappelen meer en meer op de wijde regel verbouwd, wat daar met een tusschenteelt van bloemkool heel gemakkelijk kon.
De Andijker muisjes kwamen in de knel. Ze waren wel excellent lekker, maar voor export te fijn. Daar werd minder op kwaliteit dan wel op kwantiteit gelet. Aardappelen met royale gift gingen daar voor. Allerlei nieuwe soorten kwamen aan de markt: Julimuizen, Schotse muizen, Wilde Duc, Ninetyfold, Koksianen, enz.
Meer en meer werd Bovenkarspel de markt. Honderden schuitjes gingen daar onder de klok door. Duizenden kilo's werden daar in de wagons geladen, hijgend trokken de zware Jumbo's de lange treinen uit 'de put' en in de stille Julinachten daverden ze langs het glimmend spoor naar de Duitse buren.

En toch.... de romantiek was eraf. De aardappelteelt was een massabedrijf, kilo's, kilo's, kilo's, altijd meer!
Grove, bonkige piepers, soms hol van binnen. Zakken bij zakken vol in de vrachtschuiten, waarvan de vaarders soms gewoon over de lading liepen. Moest je vroeger gebeuren! Weg was die teedere zorg voor een constante kwaliteit, weg de petroleumstellen om proefmonsters te koken, weg de kwartmandjes met het netje en het groene bosje loof, weg de ouwe Brouwertje met zijn geldtasch en de keurbriefjes, weg is dat alles, meer dan volmaakt verleden tijd.
Bij de herinnering aan dien goeden ouden tijd voelen we gepaste bewondering voor die pioniers, die voortrekkers als Pieter Sluis, Jaap Tensen, Pieter Hasselman, Willem Groen, Willem Singer en hoe ze verder geheeten mogen hebben, mannen uit een stuk, die de kop er voor hielden en voor geen moeilijkheden uit de weg gingen, gedachtig aan de spreuk van Coen: 'Despereert niet'.

 

In Andijk stond gedurende een jaar een slabonenfabriek

Zo omstreeks 1900 was het armoe in de tuinbouw. Kort na de Frans-Duitseoorlog van 1870 was er een 'gouden eeuw' geweest. Maar die eeuw hadslechts tien jaar geduurd. Na 1880 kwam een depressie de tuinbouwplagen. De soep was dun in die dagen! Als we oudere tuinders horen vertellen over de inkomsten van die tijd, dan horen we getallen, zo luttel, dat we ons haast niet kunnen voorstellen, hoe ze van zo weinig konden leven... Maar het moest! Ploeteren, zo hard mogelijk, om de kost te verdienen; met een flauwe hoop op een extraatje.

De voornaamste produkten waren omstreeks 1900 voor de Andijker tuinders 'stullen' (witte koolzaad) en aardappelen. Bonen voor zaaizaad kwamen later. De vroege aardappelen werden aan 'hekstrepen' verbouwd; om de zeven roeden een hek van rietmatten om de wind te keren en de zonnewarmte vast te houden. Achter die matten werden de aardappelen gepoot. Dik onder de 'trammest',om ze maar zo vroeg mogelijk te kunnen rooien. De hekstrepen gingen er al vroeg uit. Op de achtereinden, die wat later vrij kwamen, werden dan stulleplanten gezaaid voor de koolzaadoogst van het volgende jaar. Zo vulden de drie produkten elkaar aan. De grond moest zo intensief mogelijk worden bebouwd.

Als de slabonen klaar waren, kon de pluk beginnen. Dat ging tegen tariefloon en bij de el: een 'plak' (2,5 cent) per duizend! Een byzonder handig man kon 40.000 slabonen per dag plukken. Dan had hij zegge een gulden verdiend! De meesten brachten het niet verder dan 36.000 stuks; dat was negen halfmudsmanden vol. Dat stuntelden ze 's avonds naar hun schuit, met een rug die haast niet meer recht kon, maar met de blijde wetenschap dat ze die dag achtien stuivers hadden verdiend! De slabonen gingen vervolgens per schuit van Andijk naar Broekerhaven en per schip naar Amsterdam.

Maar in de vergadering van 't Nut van 't Algemeen van 6 januari 1898 kwamen meester Ypma, hoofd van de openbare school en Willem Jonker met een voorstel om een cooperatieve 'inmaakfabriek' te beginnen. Dat vond instemming: erzou wat extra's mee zijn te verdienen en een extraatje kon iedereen gebruiken! De fabriek werd opgezet met aandelen van tien gulden en niemand mocht meer dan tien aandelen nemen. Zulks om overwicht van de rijksten tegen te gaan. We waren al democratisch in die dagen!

Tjem Tensen werd directeur. In een huis, dicht bij het 'gladdepannehuis', (nu splitsing Dijkweg-Hoekweg) begon de fabriek te draaien. Personeel was er genoeg te krijgen; mannen en jongens voor de teelt en de pluk en vrouwen en meisjes voor het 'afhalen', want bonen zonder draad waren er toen nog niet. Wat die afhaalsters verdienden weten we niet. Allicht was het schraal, want vrouwenarbeid werd steeds lager gewaardeerd dan die van mannen. Een man verdiende met moeite een gulden per dag!

De fabriek draaide. Er was met de aandeelhouders een contract gemaakt:
slabonen leveren voor een kwartje per duizend. Op de vrije markt was die prijs 30-35 cent, maar dit was vast en dus secuurder! Bij de eerste uitzaai was al het zaaizaad opgeraakt, voor de tweede zaai moest 'uitrolsel' en 'erge' bonen worden gebruikt. Maar het was een mooie herfst en het late gewas groeide nog best! De fabriek nam de late bonen af boven contractprijs : 33 tot 35 cent per 1000. De bonen werden ingeblikt en er werd zelfs geleverd aan Oorlog en Marine. Vol moed werd er gewerkt en er was hoop voor de toekomst.
Maar al spoedig liep het mis: men was bedrogen met het systeem: blikken met 'luchtfiltratie', met een dopje, waaruit de kwade dampen konden ontsnappen... Goed bedoeld, maar waardeloos. De blikken moesten juist luchtdicht zijn! Stagnatie in het bedrijf! Een groot deel van de voorraad bleef onverkocht. Op aanraden van notaris Jan van Bommel werd de fabriek geliquideerd. De overtollige blikken werden onder de aandeelhouders verdeeld.

Alle fut was er meteen uit. Jammer, andere fabrieken in de regio hebben langer bestaan. De 'stoomconservenfabriek Noord-Holland' van Kooy en Trompetter te Medemblik bleef bestaan tot de noodlottige brand op 29 juli 1931, toen e fabriek afbrandde na een 25-jarig bestaan. De fabriek 'de Burcht' van Peter Verburg te Noordscharwoude bestaat nog steeds.

Had dat hier ook niet gekund? Onze Westfriese klei kan slabonen genoeg opbrengen, maar niemand heeft na deze mislukking ooit serieuze plannen gehad om hier een nieuwe conservenfabriek op te richten.

 

Tuytels molen

'Een begijnenpater,
een visserskater
en een molenaarshaan,
als die drie van honger vergaan,
zal de wereld niet langer bestaan.'

(oud volksrijmpje)

In de oude tijd, toen er nog geen meelfabrieken waren, had elk dorp van enige betekenis een eigen korenmolen. Was het dorp een 'heerlijkheid', dan had de heer ook 'het recht van de wind', nota bene! De molenaar moest voor dat recht betalen, anders liet de heer de molen vastzetten en was het met het malen afgelopen... Andijk was geen heerlijkheid en het heeft lang geduurd eer Andijk een eigen korenmolen kreeg. De man, die het initiatief nam, heette Pieter de Vries, (1820 - 1896), van beroep timmerman en blijkbaar nogal aktief! Hij was ook aannemer van sluiswerken, o.a. te Medemblik. In 1873 kwam er in de Wieringerwaard stoombemaling. De oude windwatermolens werden verkocht en Pieter de Vries kocht de molen E aan de Nieuwe sluis voor afbraak voor duizend gulden. Een koopje zou je zo zeggen. Maar daar kwamen nog heel wat onkosten bij. Hij liet de molen bij de Krimper te Andijk herbouwen, maar nu als korenmolen en nog een heel aparte ook: je kon met de schuit onder de molen varen! Een groot gemak bij het zakkenhijsen! Er zullen wel speciale molenbouwers naar Andijk gekomen zijn, maar wie dat waren, weten we niet.

Pieter de Vries noemde zijn molen 'land- en Zeezicht' en vele jaren heeft deze molen het dorpsbeeld bij de Krimper getypeerd. Edoch, door de vele onkosten van de herbouw ging Pieter de Vries reeds in 1877 failliet... Hij vertrok met zijn vrouw en zes kinderen van een tot vijftien jaar naar Renkum. Te Andijk bleven drie kinderen achter:
Geertje, geboren 1857, Dirk, geb. 1861 en Marijtje, geb. 1866. Pieter de Vries was te Renkum machinist en onderhoudsman op een steenbakkerij en later te Wageningen aan de Grintweg onderhoudsman bij een graanmaalderij. Zijn vrouw begon een kruidenierswinkeltje. Hij werd later weer timmerman.

Of de molen vier jaar stil gestaan heeft, weten we niet, maar op 22 November 1881 kocht Hendrik Tuytel, 'bouwman' te Alblasserdam de molen voor f. 9000,- Sinsdien was zij bij iedereen bekend als 'Tuytels molen'.

Hendrik Tuytel trouwde te Andijk op 30 April 1885 met Geertje Singer. Haar vader was timmnerman-aannemer, wat goed van pas kwam bij het onderhoud van de molen. Van hun kinderen was Pieter Tuytel later meelmolenaar op de molen te Medemblik. Die stond op de dijk, waar nu de toegang tot de Wieringermeer is. Ook die molen is verdwenen... De molen te Andijk heeft gedraaid tot 11 juni 1921. Toen werd de zaak opgeheven en de molen gesloopt. Op de fundering van de molen werd een nieuw huis gebouwd, nu Krimpen 378. Het vroegere slootje onder de molen is nu een ruime kelder. Alleen op oude ansichtkaarten blijft het beeld van 'Tuytels molen' bewaard... de jongere generatie heeft de molen nooit gezien, jammer!

 

Et eerappelbordje

Het was aan het begin van deze eeuw, zeg maar 1910. Mijn vader was een van de kleine tuinders te Andijk. Die mensen leefden op de grens van de armoe. Tegen de winter werd er met spanning uitgezien naar de uitbetaling van Sluis & Groot, die zelden meeviel. Met dat geld moesten ze een half jaar zien rond te komen, want pas in juni kwam het eerste geld van de nieuwe piepers. Hoe krap het omkwam, blijkt wel uit het feit, dat een van de tuinders, niet eens van de armsten, net voor de nieuwe aardappelenoogst, aan zijn vrouw vroeg: 'zel ik nag EEN TIENTJE van de boerenleenbank hale?' Eindelijk was het zover; de nieuwe piepers waren klaar! De eerste werden verpakt in kwartmandjes (1/4 mud), met een netje over de kop en een bosje groen loof voor de pronk. Maar bij toenemende oogst ging dat in halfmudsmanden, allen gemerkt met het merk van Akkerbouw: een driehoek met een stip erin; het alziend Godsoog en het nummer van de tuinder. In het volle seizoen was die aanvoer groot.

Jan en Willem Sluys waren aardappelvaarders, die de piepers in lange schuiten naar de veiling in Bovenkarspel brachten. Ze woonden dichtbij ons in de buurt en achter hun huis was een breed water, restant van een vroegere dijkdoorbraak, dat we 'de kuil' noemden. In de drukste tijd hadden ze ieder wel drie lange schuiten vol aardappelen. Die werden 's morgens opgehaald van de diverse tuinders, (een lege aardappelzak als seinvlag aan de kale mast), en tegen de avond lagen de volle schuiten in de kuil. Als kinderen speelden we op die schuiten en klommen zelfs van de ene steven op de andere. Gevaarlijk? Welnee! Maar met warm weer waren die manden glad en op een keer gleed ik bij de voorsteven van een mand af... Jan Sluys, die we 'de pruik' noemden, omdat hij een pruik droeg, zei: 'hee, een snoek' en zette mij achterin de schuit weer binnenboord. Hij was een sterke kerel en gooide met zakken aardappelen of het kussentjes waren. 's Morgens heel vroeg trokken Jan en Willem Sluys met de volle schuiten naar Bovenkarspel. Ze hadden trekhonden mee, die de schuiten aan een lijn voorttrokken, net als vroeger een paard met de jaagschuit deed. Dat was nu echt een 'hondenbaan'! Er was in die tijd nog veel grasland in de polder, maar bij elk dwarsslootje moest de hond overzwemmen en dan maar weer trekken! Soms liepen de honden ook over bouwland, maar daar hadden de Streekers een hekel aan, weant de lijn scheerde soms een paar bloemkolen te water, die wat krap op de wal stonden. Dus zetten de strekers lange stokken in de wal, dan was het voorgoed over.

Na de veiling werd de terugtocht aanvaard, in de lege schuiten nu alleen lege manden. Maar vaak was het tegenwind, een paar uur aan de kloet... Motoren waren er toen nog niet. Op een keer was 'de pruik' al binnen het Kleingouw en toen brak de lijn! De hond holde zo hard hij kon met een eindje lijn naar huis, zoals gewoonlijk doornat. 'Ik ken em gien ongeloik geve', zei de pruik, maar toen moest hij toch alleen de lange schuit met de kloet thuisbrengen. Eenmaal thuis was het eerste werk: de marktprijzen op het eerappelebordje zetten, want daar waren de tuinders benieuwd naar...! Dat bordje was een zwartgeverfde, brede plank, dat op een stevige poot voor zijn huis stond. Geen wonder, dat mijn vader, 's avonds na het eten zei: 'joons, koik eres gauw nei et eerappelebordje, wat de proize benne'. Want, vooral in het begin van het seizoen waren er nogal eens schommelende marktprijzen... Naar gelang van de prijs op het bordje was het dan rooien of afwachten... En nu dat kriel. Dat was vroeger afval, voer voor de geit. Maar nu heten ze op het hotelmenu:
'Parijse aardappeltjes' en zijn vaak duurder dan de grote.
Het eerappelebordje is historie geworden. Onze polder is nu een rijpolder geworden en het vervoer gaat nu per auto. Je kunt niet eens meer naar Bovenkarspel varen, want de sloten zitten vol dammen. Maar dan vroeger, in die goeie ouwe tijd!.

 

Een kint uyt de Mosseltuyn

'Op 14 December 1755 te Bovenkarspel
gedoopt een kint uyt de Mosseltuyn,
vader Jan Claesz. Donker, moeder Tryntje
Pieters' Hof, 't kint Pieter. Peet: Aefje
Crelis' vrou van Jan Palesteyn uyt de Koy
van Andijk.....'

Van de droge bladen van het doopboek, waarin deze mededeeling staat opgetekend, ja, geteekend, dwalen onze gedachten weg naar den Mosseltuin, die nu nog zoo heet, waar vroeger menschen woonden. De Mosseltuin, een stuk bouwland midden in den polder 't Grootslag, waar ze tulpen op bouwen of boonen of uien of piepers, jaar aan jaar.

Eens hebben daar menschen gewoond en gewerkt. Daar klonk kindergeschrei, daar zong een moeder een wiegelied, ding-dong-deine. Daar speelden lachende kinderen buiten, daar riep een vader ze naar binnen tegen etens- of bedtijd. Daar snikte een moeder bij het lijkje van haar kind, daar stond een gebroken man, toen de moeder stierf.

Nu is daar niets meer van, alles weg, stil vreemd.
Er wordt een nieuwe weg gemaakt, een nieuwe sloot gegraven.
De schop stuit op iets hards, beenderen komen boven, een skelet wordt uitgegraven. Wie was die man? Hoe kwamen ze er bij, daar een mensch te begraven, zoo midden in den wijden polder? Woonden hier meer menschen? Waarom is die doode man niet naar de kerk of naar het kerkhof gebracht? Was het een soldaat, 'zeven-stuyvers-menschenvleysch'? Of een Heyden, die rooven of stelen wou daar bij die boeren, die daar zoo eenzaam woonden achter in 't veld? Is daar in de duisternissen een moord geschied? Niemand die er iets van weet, onbekend, duister, vreemd.

Dicht bij de Mosseltuin wordt een sloot verbreed. Er worden scherven gevonden, steenen, groote moppen. Friesche gele, hardgrauwe, heele stukken fundament met harde mortel, een uiterste hoeksteen, brokken dakpannen, gebroken vaatwerk, scherven, scherven zonder tal! Groen, geel en bruin verglaasd en dooraderd liggen hier de resten van het huisgerei dat talloos vele malen met zorg is omgewasschen en zorgvuldig afgedroogd. Kapotte tegeltjes en scherven van kruiken, kannen, testen en vergieten zijn hier en ginds verspreid en hoeveel van die scherven behoorden niet tot groote sierborden met bloemen en Chineesche motieven. Eens hebben zij den wand van een boerenkamer opgepronkt.
Wanneer was dat? Is het al heel lang geleden? Want hier hebben menschen gewoond, dat is duidelijk. Niemans weet er wat van, is het zoo ver terug? Vreemd.

Hoe kwamen ze er bij om hier te gaan wonen? Er is geen weg naar toe. Was dat vroeger dan anders? Of moest alles met de schuit? Hoe moesten die kinderen naar school? Of bleven ze maar thuis? En naar de kerk? En als er eens een ziek werd of stierf? Hoe hielden ze het hier uit?

En toch, wat een pracht-plekje om hier te wonen, zoo vrij als een vogel! Het land ligt hier hoog, naar den dijk toe ligt het lager. Bij hoog water en ongunstigen maalwind kon dus dat lage land desnoods een wijde plas worden, het deerde niet, de Mosseltuin bleef wel droog. Hoe zal de Noordwester in zoo'n herfst om het huis hebben gehuild! En wat duurde het lang eer het dan voorjaar werd! Maar die oude Andijkers waren voor geen kleintje vervaard! Wanneer was het toch dat zij leefden? Lang geleden? Hoe lang eigenlijk?
Geen mensch die er iets van weet, vreemd! Een paar zinnetjes uit een oud doopboek: 'Barent, sone van Eldert Crynsz. ende Cornelisje Cornelis' uyt de Mosselbanc.'

Dat was 30 Januari 1701. Hoe het voor 1700 was weet ik niet. Voor mij is Eldert Crynsz. de eerste bewoner van de Mosseltuin. Lang heeft deze Barent niet geleefd, want op 16 July van het volgende jaar wordt er weer een Barent gedoopt en verder is er niets meer te vinden, niets meer. Is moeder Cornelisje toen ook gestorven? Wat zal zij daar in eenzaamheid geleden hebben. Zij bewaarde alle deze dingen in haar hart.
Waar is Eldert Crynsz. heengetrokken? Is de Mosseltuin tijdelijk weer bewoond gebleven? Niemand weet er van.

Maerten Jansz. Kruyer was de tweede, Die was al niet zoo jong meer. Toen hij in 1722 op de Mosseltuin kwam, was hij al ruim 25 jaar getrouwd en dus om-ende-bij de vijftig. Op 8 Januari 1696 was hij met Aef Jans' getrouwd en zij had hem zeven kinderen geschonken. Ze woonden op de Boede, Bakkershoek. Maerten Kruyer was een achtbaar lid van Buurtje's kerk: in 1713 werd hij diaken en in 1720 ouderling. Een ouderling die wel regeerde, zooals uit de notulen blijkt. Maar nu hebben we het over de Mosseltuin.

Toen Maerten Kruyer's oudste zoon, Pieter Maertensz., trouwde met Geert Pieters' en dat was op 25 Januari 1722, trokken de ouelui naar de Mosselbanc, zooals die toen nog heette. In de lidmatenlijst van Ds. Joh. van Heyck van 1723 worden Maerten Kruyer en Aef Jans' het allerlaatst genoemd, na Koy Rendert en Koy Pitter, die in de vogelkooi in de Horn woonden.

Was de Mosselbanc dan toch langs een paadje over de Oue Wal te bereiken? De Oue Wal een oude waterkeering, een zomerka, die het land bezuiden droog moest houden, als ten Noorden alles blank stond. Wat een uitgezocht plekje voor een vogelkooi!

Lang is Maerten Kruyer ook niet op de Mosselbanc gebleven. Op 26 Februari 1730 woont hij op Broekoort. Viel het niet mee in dat eenzaam oord? Is Aef Jans' voor 1730 gestorven? Er is niets van bekend.

Wie volgde Maerten Kruyer op? Was het Jan Claesz. Donker, voornoemd? Maar dat was plm. 1755. Was de Mosseltuin zoo lang onbewoond? De kerkeboeken van Buurtje geven er geen antwoord op. Wie heeft er den tijd voor om het in zware notarisprotocollen na te pluizen?

Een regeltje uit een testament, 27 October 1786: 'Cornelis Pietersz. Schoenmaker, in de wandeling 'Krelis Schut', zoon van Geertje Cornelis', thans woonachtig in de Mosseltuin.'
Was hij de laatste bewoner? Was al dat puin en dat gebroken aardewerk van zijn huis afkomstig? Heeft er na de Fransche tijd ook nog volk op de Mosseltuin gewoond? We weten het niet, de Mosseltuin is goed bouwland, er groeien tulpen en aardappelen op en kool en uien. Vroeger hebben er menschen gewoond, heel vroeger, dat is nu al zoo lang geleden, niemand weet er meer van, vreemd. Hare plaats kent haar niet meer.

Vorige paginaVolgende pagina

© 2001-2012 | Kistemaker NetWerk

Westfries Genootschap