Groei en Bloei van de geschiedenis van Andijk
Piet Kistemaker Sr.
11. Zeevaart en visserij
Tabel 2. Inleg Zeevarenden te Opperdoes:
Tabel 3. Kasboek Bootsgesellenbeurs te Opperdoes:
Tabel 4. Uitkeringen:
Een bron die snel droogde
Allen die willen te kaperen varen, moeten mannen met baarden zijn. Jan, Piet, Joris en Korneel, } die hebben baarden, } bis die hebben baarden, } zij varen veel. (Oud zeemansliedje)
| Omstreeks 1900 waren de lonen in de tuinbouw laag. Een arbeider verdiende in de lange
dagen van 6 tot 6 uur, 24 stuivers en in de korte dagen van 8 tot 5 uur, zegge 1 gulden
per dag! Daar ging dan het regenverzuim nog af! Geen wonder, dat er naar wat beters werd
uitgezien. In de visserij waren de inkomsten erg wisselvallig, beste en slechte jaren. In de beste jaren moesten dan de schulden worden afgelost. In 1887 werd hier de eerste ansjovis gevangen. Simon Broer en Jan Gutter waren de eerste vissers. Rond 1890 had de visserij goede jaren. 1890 was zelfs een r i j k jaar! Van Andijk hebben we geen cijfers. Volgens Huizinga's Wieringermeerboek waren de Ansjovisvangsten in de hele Zuiderzee: |
1887 |
1888 |
1889 |
1890 |
1891 |
1892 |
| 15.000 | 15.000 | 1.600 | 190.000 | 44.000 | 7.000 |
| 'ankers' van 50 kg. | |||||
1890 was dus een recordjaar! De twee zouterijen in Medemblik konden de 'sjoop' nauwelijks verwerken, er moest een derde gebouwd worden! Andijk had 1 zouterij, van Bout Boor uit Huizen. Het werd een ware goldrush! In allerijl werden vletten gebouwd. De timmerman kon een vlet maken voor 80 gulden, een compleet huis voor 800! Bij de vlet kwam dan de beug: netten van zijdegarens, kurken, lood, lijnen en stokken, ankertjes, roeiriemen, zeiltuig, mast en spriet. Dat was hetzelfde tuig, waar ze binnendijks ook mee zeilden. Daar hadden ze dus geen moeite mee. Hoewel, de Zuiderzee was geen binnenslootje! Al met al, was het een hele investering. Het geld ervoor moest bijelkaar gescharreld worden met 10 en 25 gulden tegelijk op obligatie! Andijk had alleen maar vletten, een enkele gefortuneerde had een Staverse jol, maar voor grotere schepen was er geen geld. Het grootste aantal vletten is 72 geweest. In 1892 waren er nog 50. Die lagen op drie plaatsen: Buurtje, Bakkershoek en Fluithoek, alles aan open water, dus gevaarlijk bij stormweer. Er waren 'stellingen' en aan elke kant van zo'n stelling kon een vlet liggen. Elk voorjaar moesten de stellingen vernieuwd worden wegens stormschade. Er kon met de vlet ook gezeild worden, maar sommige nieuwbakken Zuiderzeevissers durfden dat niet, tenminste niet bij woest weer en dan werd het roeien, twee man naast elkaar op de bank en trekken maar! Dat was een heel eind, van de Bakkershoek naar de Kreupel, de zandbank halfweg Stavoren. Soms voeren ze daar 's avonds heen en bleven de nacht op de Kreupel over. Dan konden ze 's morgens vroeg direct 'halen'. Er werd gevist met staand want, op plaatsen waar niet al te sterke stroom stond. Ansjovis of Sardel, Engraulis encrasicholus, is een visje dat in de Middellandse zee thuishoort, maar in de paartijd bij 100.000en in grote scholen de Atlantische oceaan opzwemt en in de baaien kuitschiet. De Zuiderzee was zo'n baai, voor dat de Afsluitdijk er was. De ansjovis kwam naar binnen, met als voorbode de geep, een veel grotere vis. Zodra er geep gevangen werd, was er kans dat er ansjovis kwam. Dan werden in alle kustplaatsen de haringnetten geruild voor ansjovisnetten met kleinere mazen. De haringtijd was van Februari tot April, dan kwam de ansjovis tot Juli. Dat was voor onze tuinders juist een geschikte tijd. Als de aardappelen gepoot waren, was er met visserij wel wat bij te verdienen tot aan de rooitijd. Dus gingen dan de vletten, die in de stille tijd binnendijks lagen om stormschade te voorkomen, over de dijk en de tuinders waren vissers, nou ja... Na de visvangst werden de vletten dan weer overdijk gesjord om beschadiging te voorkomen. Een mens moet zich krommen om door de wereld te kommen! De gevangen ansjovis werd in vaten zg. 'ankers' van 50 kg. ingezouten, met een dommekracht geperst en kon dan jarenlang bewaard worden. De kwaliteit werd zelfs per jaar beter, tot na 8 jaar de ansjovis totaal verzouten was en alleen nog geschikt voor Engelse vissaus. Ansjovis werd een gokartikel. Er werd mee gespeculeerd en er kwamen beursnoteringen in de Enkhuizer krant. De grootste vangsten waren 25.000 tot 30.000 visjes per vlet. De hoogste prijs was 10 gulden per 1000 en de laagste een rijksdaalder. Helaas, het was maar een korte vreugd! Na het rijke jaar 1890 werd de vangst geleidelijk minder. Er was nog een kleine opleving omstreeks 1900, maar daarna liep het af. Na 1910 waren er nog maar enkele vletten. Toen de Afsluitdijk kwam, was het met de ansjovis finaal afgelopen. De laatste vissers brachten hun vangst naar Medemblik of naar Enkhuizen of gingen daar wonen. Arie Bruin en zijn zonen waren wel de laatste Andijkers, die op het IJsselmeer visten. De Andijker tuinders zijn wijselijk maar binnendijks gebleven... |
Bronnen: |
Peter Dorleijn: 'geen moed vist ook'. Aantekeningen van Jan Trompetter. Mondeling van Arie Bruin. Eigen herinnering. |
|
Als slaaf in Barbarijen.....(1) Een van mijn meest illustere voorvaderen was Gerrit Adriaensz. van Warmenhuysen, 1608 -
1678, schoolmeester ende notaris publyc, bij den Hove van Hollant geadmitteert ende tot
Hauwert resideerende...
Het register betreft een veertigtal Westfriezen, die in de jaren 1657 - 1680 gevangen zaten in Algiers of in Turkije en voor wien door familie of kennissen in Hauwert gecollecteerd mocht worden.
We zullen niet het hele register op den voet volgen, het is tenslotte eentonig als het
verhaal van Saidja en Adinda... Maar denkt het u eens in, wat het betekende: zo te moeten
bedelen van huis tot huis, van dorp tot dorp. Want het was maar een armoedig schijntje wat
ze ophaalden, zelden boven de 10 gulden, maar veel meer keren eronder: 9 gulden, zeven,
vijf, drie, ja soms t w e e gulden met enkele stuivers en penningen.
De zeevarenden waarvoor gecollecteerd werd, kwamen uit alle mogelijke plaatsen in
Westfriesland. Niet alleen uit de 'watersteden' Enkhuizen, Hoorn en Medemblik, maar ook
uit de binnendorpen: Opperdoes, Oostwoud, Sijbecarsopel, Westerblokker, Hem, Bovencarspel,
zowel als 'van de hooge dijck bij Sint-Anna', dwz. uit Wervershoof. Immers, heel
Westfriesland nam in de Gouden Eeuw aan de zeevaart deel, de boerenjongens uit de
binnendorpen voeren zowel ten haring als ten oorlog, meestal onbewust van de gevaren die
hen bedreigden... En die gevaren waren niet gering!
Uit: Diverse acten en memorien,
'Op den 18 January 1657 soo hebben Pieter Jansz. ende Adriaen Gerritsz. van Opdam
alhier met de Busse omgegaen en gecollecteerd voor een harer Slave in Barbarijen gevangen
de
Als slaaf in Barbarijen.....(2) 'Vrede'. Na jarenlange ballingschap in een vreemd land keeren de gevangenen weer.... als
vrij man! Welk een wereld van geluk! Duizenden keeren zoo terug... na jaren van
slavernij... VRIJHEID!
Hé, dat was een heel eind! Tot zoover is de acte met fraaie en duidelijke hand
geschreven... echt zwierig naar 17e eeuwsche trant...
|
Jan pelgrimsz
Dijrck Dijrck zoon
Jan Sijmensen abbekerck
Tijmen tijmenszyan albert winckel
Tonis Sijmensz
Dierck pietersz Stam.
| Welk een prachtig staaltje van gemeenschapszin! Zeven Midwouder boeren verbinden zich
'te samen en elx een voor al' om hun dorpsgenoot los te koopen uit zijn gevangenis 'bij
den Turck' zooals dat meestal heette. Zeven boeren en niet van de domsten. Ze kunnen
tenminste alle zeven hun eigen naam schrijven. Hoewel niet allen even fraai. De notaris
hoeft voor hen niet onder het stuk te schrijven: 'Dit is het merck van die-en-die.' Ze
hebben er een flinke cent voor over ook, want vijfhonderd stukken van achten, dat zijn 500
rijksdaalders, wil nogal wat zeggen bij een kaasprijs van 8 tot 9 gulden. Heyn Sijmonsz. was dus een 'Straatvaarder', d.w.z. hij voer op een van de talrijke Hollandsche schepen die rijke ladingen brachten en haalden naar en van de Levant, de landen rond de Middellansche Zee. De Hollanders waren in die Gouden Eeuw van Frederik Hendrik de vrachtvaarders van Europa. Van de 25.000 schepen, die in Europa handel dreven, waren er 15.000, dat is 60 %, die de Hollandsche vlag voerden. Een groot deel hiervan voer op de Levant en moest zoowel bij uit- als thuisreis de Straat van Gibraltar passeeren, vandaar de naam Straatvaarder. Het was een aantrekkelijke maar ook een gevaarvolle reis. Aantrekkelijk omdat men spoediger weer terug was dan van een reis naar Indie, die soms maanden duurde en ook omdat men minder te maken had met de veranderingen van het klimaat en de vele ziekten daaraan verbonden. Maar gevaarvol door de vele zeerooverij. Dat begon al in het nauw van Calais, waar de gevreesde Duinkerkers loerden. Was men daar zonder kleerscheuren doorgekomen, dan waren het de Biscayers, die hen het leven zuur maakten met hun recht barbaarsche practijken. Vooral bij de thuisreis raakten er velen in de fuik, als ze voor de Straat op gunstige wind moesten wachten. Het gruwelijkste van alles was, dat er landgenoten, verraders, waren die zich niet ontzagen hun eigen volk te beroven en te vermoorden. Namen van Simon de Danser, Soliman Reijs, alias de 'Veenboer', Haggi Mamy Rais ook wel Pieter Jansz. van Akersloot, Claes Compaen, e.a. zijn een schandvlek in onze geschiedenis! Heyn Sijmonsz. was dus lang niet de eenige die in hun handen viel. Talrijke Hollandsche Zeevaarders hebben j a r e n l a n g in de vunzige kerkers van Tunis en Algiers gezucht en gebeden om uitkomst. Hoe erg het was blijkt uit het feit dat in zes jaar tijds, van 1617 tot 1623 h o n d e r d z e s e n t a c h t i g Hollandsche schepen door de Algerijnen genomen werden. En onze voorvaderen waren toch voor geen kleintje vervaard als het op vechten aankwam. Men leze slechts de scheepsjournalen van dien tijd! Veel werd er in het vaderland gedaan, om het lijden van de gevangenen althans zoveel mogelijk te verzachten. Meestal werd getracht door het zenden van kostgeld de gevangenen een groter rantsoen voedsel te doen verstrekken. Of er in de praktijk veel van terecht gekomen is? In verschillende plaatsen van Westfriesland werden, meest omstreeks 1635, zg. 'Zeevarende Buidels' opgericht, d.w.z. de dorpsgenoten verenigden zich om gelden bijeen te brengen ten behoeve van de zeevarenden, die op zee verongelukten of in gevangenschap raakten. Uit deze gelden kon dan het kostgeld betaald worden, of was het soms mogelijk de gevangene geheel vrij te kopen, hoewel de hoge losprijzen dit vaak onmogelijk maakten. Men leze het interessante artikel over de zeevarende beurzen van wijlen den heer S. Lootsma in de 3e en 10e bundel van 'Oud-Westfriesland'. Ook werd er voor de gevangenen vaak huis-aan-huis gecollecteerd, 'met de bos geloopen', zooals dat toen heette. In het archief van het Koggehuis te Medemblik zagen wij eens een lange lijst van gevangenen, voor wie in Hauwert en omstreken met de collectebus geloopen was. Misschien komen we daar nog wel eens op terug. Hoe wisten ze nu in Midwoud, dat Heyn Sijmonsz. gevangen zat in Algiers? Had hij een 'smeekbrief' gezonden, zooals vele gevangenen deden die jarenlang vastgehouden werden, zonder eenig uitzicht. Want ook hier was het weer: 'Het geld dat stom is, maakt recht wat krom is'. De losprijzen die de Algerijnen vroegen, waren niet malsch en het maakt de indruk dat ze vaak namen wat ze krijgen konden. Zoo schrijft Lootsma over een matroos uit de Rijp, die d e r t i e n jaar gevangen zat 'en noch continuerende ende niet te lossen ofte coopen is dan voor een somme van d u y s e n t guldens'. Voor Sijmon Cornelisz. Hoen uit Graft werd 4947 gulden gevraagd. Willem IJsbrantsz. Bontekoe, de bekende schipper uit Hoorn, die in 1617 ook te Algiers gevangen zat, werd 'met eenen jongen, sijn broeder', waarschijnlijk Jacob, op 12 October 1617 losgekocht voor '2915 dobbels, sijnde omtrent 750 realen van achten'. Zie hiervoor J.Ph. de Monte Ver Looren, in WestFrieslands' 'Oud en Nieuw' IX, 35. Voor Claes Jansz. van Woglom, in onze acte genoemd, die in 1636 in Tunis gevangen zat, werden 1000 realen van Achten gevraagd. Dus zijn onze Midwouders met 510 a 520 stukken van achten voor Heyn Sijmonsz. nog niet zoo duur uit. Neen, een smeekbrief zal Heyn Sijmonsz. niet gezonden hebben. Hier was Claes Jansz. van Woglom de tusschenpersoon. Hij wordt nu, in 1645, 'coopman binnen deser Stede' (Amsterdam) genoemd, maar in Juni 1636 was hij nog schipper op 'de gekroonde Swaen'. Blijkbaar een flink schip, want het was 'gemonteert met 24 stucken' en kon dus in een zeegevecht een hartig woordje meespreken. In dat zelfde jaar 1636 voer Claes Jansz. van Woglom in de Straat van Messina samen met Claes Jacobsz. Verloren, schipper op 'de Verloren Soon'. '... ende tsamen aangerant sijnde ter voorsz. plaetse van tien Basartse ende Tunis galeyen, die haer overmachtich waren te vermeesteren...'. '... ende neffens sijn volck alle devoir gedaen hebbende, sijn door de grooter macht der voorsz. galeyen verovert, wechgevoert ende tot Tunis in Barbarijen als slaven ende gevangenen gebracht...'. Zie hiervoor J.Ph. de Monte Ver Looren, in West-Frieslands' 'Oud en Nieuw' IX, 40. Claes Jansz. van Woglom wist dus wat slavernij 'bij den Turck' was! In onze acte is Claes Jansz. slechts bemiddelaar. De Midwouders maken hem volledig vrij, hij loopt geen enkel risico. Het is Sinjeur Jacomo van Neck, die alles in het werk zal stellen om Heyn Sijmonsz. vrij te krijgen. Hij zal de losprijs betalen en alle mogelijke onkosten die daar bij zouden komen en de Midwouders behoeven niet te betalen voor ze bewijs in handen hebben dat Heyn Sijmonsz. werkelijk vrij is .... in Algiers, want verder risico neemt Sr. van Neck niet! Wie was deze Jacomo van Neck? Was hij mogelijk een zoon van Jacob van Neck, die in 1598 als eerste met Jacob van Heemskerk en Wijbrand van Waerwijck naar Oost-Indien voer en die later burgemeester van Amsterdam werd? Of was hij dezelfde die Bontekoe noemt in zijn Merckwaerdige Reyse, blz. 65: '.... Doe quam het schip Groeningen uyt het Vaderlandt daer schipper op was Tobias van Embden en k o o p m a n S i g n e u r v a n N e c k, die schout op Texel hadde geweest....'? We weten niet of de bemiddeling van Claes Jansz. van Woglom en Signeur van Neck succes heeft gehad. In de acte is dwars door de tekst gesneden als bewijs dat deze zaak afgedaan was. Mogelijk is dus Heyn Sijmonsz. weer behouden 'in het Christen Lant gearriveert'. Met welk een vreugde zal hij de groene weiden rondom Midwoud weer aanschouwd hebben. Het grazende vee, de stelphoeven in hun boomenkrans en de boeren, die hem vrijkochten 'ondert verband van onse respective personen ende goederen te samen en elx een voor al ....'. '...'teffect van dien wel verstaende.' En, als ze vrij waren, bleven ze dan verder thuis? Geloof dat maar niet, ze waren niet gewoon bij moeders pappot te zitten, zwerven over de wereldzeeen, dat zat hen in het bloed! Een stout volk, die voorvaderen van ons! Trots alle gevaren weer naar zee. Hadden ze het niet als randschrift op hun penningen geslagen:
|