Kistemaker NetWerk

Jaarboekje "Oud Andijk" 1979

Jaarboekjes Oud Andijk » 1979 » pagina 15

Molens kwamen, molens gingen (2/4)

Windmolens die voor het malen van graan konden worden gebruikt, waren reeds lang bekend. Authentieke documenten over het gebruik van windmolens zijn vóór 1200 niet bekend.
Maar aan te nemen is dat ze rond 800 in Bohemen en Engeland al in gebruik waren.
In 1274 wordt in Haarlem een windmolen vermeld, waarin we waarschijnlijk het eerste exemplaar in Noord-Holland moeten zien. Het betreft echter een graanmolen.

Eerst tegen het einde van de 14e eeuw kwamen er watermolens. In 1408 werd nabij Alkmaar voor het eerst water uitgeworpen door een watermolen, maar hierover is verder niets naders bekend.
In 1438 kregen de dorpen Petten, Groet en Kamp van Philips van Bourgondië vergunning om een watermolen te bouwen.
Niet lang daarna, in 1452, bouwde de polder "Het Grootslag" nabij Enkhuizen de eerste twee wind-watermolens.
Een eeuw later stonden er vier. Deze vier molens waren niet in staat om de gehele polder tijdig op peil te malen en te behouden. Na veel onderling getwist besloot men in 1545 nog vier achtkantige watermolens te bouwen.
Deze achtkantige molens zouden erop kunnen wijzen, dat hier al sprake is van molens met beweegbare kappen, waarbij de kap met de wieken draaibaar op het molenlijf gemonteerd is. Hieruit is uiteindelijk de ideale bovenkruier ontstaan. Aan het wordingsproces hebben tal van molenaarsgeslachten hun vernuft en vindingrijkheid dienstbaar gemaakt. Vooral een goede opvoermethode van het water heeft veel hoofdbrekens gekost. Het scheprad is vele malen een onderwerp van studie geweest. Er kwamen tal van verbeteringen aan schoepen tot stand en hun aantal totdat uiteindelijk de vijzel ontstond, waarvoor in 1634 octrooi werd verleend. Het duurde nog tot het einde van de vorige eeuw dat de meeste molens waren om- gebouwd van schepradmolen tot vijzelmolen.

Een nog bijzonder opvoerwerktuig ontstond in 1840, uitgevonden door een Zaanse molenmaker.
Het was een horizontale platte kuip, gelegen beneden het polderpeil. Hierin bevond zich een horizontaal geplaatste waaier, bestaande uit vier op een verticale spil gemonteerde bladen, die met flinke snelheid ronddraaide. Naar de zijde van het boezemwater was een opening in de kuipwand, waardoor het water via een koker door de middelpuntvliedende kracht naar boven werd geslingerd.

Vorige paginaVolgende pagina

© 2001-2012 | Kistemaker NetWerk

Westfries Genootschap