Kistemaker

Thuis » Boeken » Groei en Bloei van de geschiedenis van Andijk » Pagina 17-21

3. Inpoldering

Het land komt droog, plm.1400

Omstreeks 1250 is de Westfriese omringdijk geheel klaar. Als een machtige beschermer waakt hij over het land. ja, wat is dit meest, land of water? Plassen en poelen, rietschoten, kreupelhout en hier en daar een stukje bruikbaar land. Bruikbaar alleen ter beweiding. Voor land- of tuinbouw is dit land ongeschikt, daarvoor ligt het teveel ‘keil-deil’, is het te nat en te dras. Na elke watervloed en die volgen elkaar nog steeds op in onstuimige reeks, staat een groot deel van het land onder water. Soms twee winters achtereen. Veel land ligt daarom ‘woest ende desolaet’. Er is geen bemaling en er zijn nog geen sloten. Het vele water loopt af langs natuurlijke weg. Door het plassengebied lopen enkele stroompjes van west naar oost, want de wind waait hier meestal uit het westen.

Aan het eind van die stromen hebben de bewoners van dit land sluisjes gemaakt, waardoor het water bij laag tij geloosd kan lozen op de zee. ‘Tije-sluisjes’ noemen ze die, omdat alleen als het tij gunstig is, de sluisjes geopend kunnen worden. Kolkend vloeit dan de watermassa door de nauwe koker, vooral als alle planken weggetrokken zijn. Drie zulke sluisjes zijn er bij Andijk: een aan het westeind (nu de Molenhoek), een aan de Bakkershoek en een aan het eind van het Kleingouw. Maar lang niet altijd is het tij gunstig en dan blijven aan de binnenkant van de dijk grote plassen staan, soms maandenlang en het verdronken land is daar waardeloos. Het is overwoekerd met riet en biezen. Een ideaal oord voor de vele watervogels, die er na een vermoeiende vlucht vanaf de Friese kust neerstrijken, maar waardeloos voor de boer, die er zijn vee wil weiden. Dit land moet droog, dat moet en dat zal. Maar hoe? Zware zorgen drukken de middeleeuwse boer. Menigwerf moet hij met zijn heer ‘Altijd vermeerder des Rijks’ ter heervaart, want vechten is voor die heren een spelletje. Dan is er de zware zorg voor de buitendijk, die veelvuldig doorbreekt, zodat de gaten gedicht moeten worden of een nieuwe inlaag gemaakt, wat nog erger is.
En nu is daar de strijd tegen het binnenwater. Bemaling is nog niet mogelijk, wat kan de boer met zijn zwakke kracht stellen tegenover het water? Maar als hij een buitendijk kan maken, ‘met de spade, met de burrie en met de vork’, dan kan dat ook aan de binnenkant! En zo legt hij de ‘inninghwegen’ aan, de binnendijkjes, het ‘Kedik’, de ‘Nijedik’, de ‘Ouwewal’. Een grote oppervlakte kan hij niet ineens onder de knie krijgen. Daarom verdeelt hij de grote polder in kleinere, om opwaaiing van het water tegen te gaan. Meer kan hij voorlopig niet doen. Ook bij deze kleine poldertjes is de waterafvoer door sluisjes geregeld, om te voorkomen dat men het overtollige water op buurmans akker laat afvloeien is bepaald:

‘Niemant moet (= mag) die dooren van de sluisen oplucken in de zomerdijk tenzij bij de hoofdluiden’
(Keurboek van Grootebroek).

Zelfs geen plank mag hij eigenmachtig uit de sluis trekken om daardoor zijn wateroverlast te doen spuien op lager terrein, Schout en Schepenen zullen dat ‘wijsen’.

Ende so wie een plancke worpe van eenre sluyse binnen den ban van Broeck, bij dage off bij nachte, mit onwaerdicheit, die verbuerde een pont’ ‘Oock soe en moet (= mag) niemant die leenen van den sluysen die ghemaect sijn, wechbrengen, noch houwen noch kerven, bij een pont. En wie se offleit als men eenich ghoet daer doervoert, die sal se wederleggen staphants (= onmiddelijk), bij een scellingh, ende twie posten off meer daer anlegghen, bij een scellingh’
(Keurboek van Grootebroek).

Loopt U een eindje mee over onze oude dijk? Het is daar prettig wandelen, vooral in de zomer. Aan de buitenkant de zee. ja, lacht U maar, het Usselmeer is nog altijd onze zee, levendig gestoffeerd door witte en bruine zeilen van botters en tjalken. Aan de binnenkant de polder; een bont mozaiek van kleuren, vooral als de tulpen bloeien. Daartussen het zilveren lint van de sloten. Let U eens op die sloten! Ze verdelen het land in vrij regelmatige stukken. Zou het waar zijn, dat in ‘de oude tijd’ elke boerderij veertig bunder groot was? Het heeft er alle schijn van, want als we het nagaan dan staat of stond op elke hoek van zo'n groot stuk een boerderij, een ‘plaas’ zeggen wij. Er zit dus wel enig systeem in de aanleg van die sloten en de verdeling van de grond. Wat zijn die sloten oneindig lang, van hier tot ver achter de Streek! Hier moet wel ‘volgens plan’ gewerkt zijn.

Maar volgens welk plan? Wie was de ontwerper? Wie heeft eerst op papier deze lange lijnen getrokken? Welke waterbouwkundige was dat, ver voor Leegwater's tijd? Want deze sloten moeten al heel oud zijn. Was het de Roomse geestelijkheid, die dit plan ontwierp? Zeker is het, dat dit niet het werk was van een man, hier hebben geslachten aan gewerkt, moeizaam koppig volhouden, stukje voor stukje, steek voor steek, tot na eeuwen het werk gereed was; een vruchtbare polder, doorsneden door talrijke waterwegen!

In een heel ver verleden is de weinige bruikbare grond nog communaal bezit. Wanneer dit communaal bezit door het privaatbezit, het ‘eigen erf’ vervangen is, is niet met een enkel jaartal aan te geven. Ook hier een geleidelijke ontwikkeling. Maar de uitbreiding van het inwonertal brengt de behoefte aan meer land. Er moeten weiden zijn voor het vee, een enkel hoogliggend stuk land kan geschikt gemaakt worden voor graanbouw. Het is die drang, die ten grondslag ligt aan het ontstaan van de sloten. ‘Opstrekking van de heerde’ noemt men dat. De ‘heerden’, d.w.z. de boerenplaatsen, worden op regelmatige afstand gebouwd langs de ‘gouw’, de hoofdweg. In de meeste gevallen een waterweg, omdat verkeer te water eerder mogelijk is dan verkeer te land.

Zowel het vee als het hooi wordt te water vervoerd. Achter elke ‘heerde’ ligt het land, nog in maagdelijke staat. Een heel klein deel van dat land is nog maar voor beweiding bruikbaar. De rest is nog woest en kan slechts door ontginning bruikbaar gemaakt worden. Het is het dorpsbestuur, dat dit alles regelt ‘bij keur’, d.w.z. door politieverordening. Wie eigen erf begeert is verplicht ‘heyninghe te winnen’, d.w.z. zijn erf af te scheiden van dat van zijn buurman. Niet door een heining van ligustrum of met prikkeldraad, maar door een behoorlijke sloot. Hoe wijd en hoe diep, zullen Schout en Schepenen wel bepalen. Hij kan dus beginnen met door het woeste land een rechte sloot te graven. Zo komt de sloot klaar, zo komen alle sloten klaar en Schout en Schepenen keuren het gemaakte werk. Als het niet naar genoegen is, kan de betrokkene het overdoen, liefst wat vlug ook, of het wordt op zijn kosten door de overheid afgemaakt. De boeten zijn niet mals in deze tijd!

Behalve als ‘heyninghe’ en als vaarsloot dienen de sloten ook als ‘waterberging’. Daardoor wordt steeds meer land als weiland bruikbaar tenminste in de zomermaanden. Want in de wintertijd is de toestand nog steeds hopeloos. De water afvoer kan slechts langs natuurlijke weg plaatsvinden en voor de kleine treksluisjes blijft maandenlang een massa water staan. Daarbij komen nog de menigvuldige watervloeden! Talrijke vloeden worden in de oude kronieken vermeld, meestal aangeduid met namen van heiligen; Sinte Marcellus, Sint Gallen, Sinte Jeroensdach. Door het knoeiwerk aan de dijken, uit verkeerd sociaal begrip, uit misplaatste zuinigheid, uit bittere armoede, komt het menigmaal tot een doorbraak. Het zoute water golft de polder binnen en bederft de landen, die weer maanden achtereen blank staan, tot zwaar ongerief van de boeren.

Omstreeks 1400 komen de eerste watermolentjes. Een geweldige vooruitgang! Een triomf der techniek! Eindelijk zal dan de boze waterwolf bedwongen worden. Op 1 juli 1423 krijgen Enkhuizen, Bovenkarspel, Grootebroek, Lutjebroek en Westwoud van Hertog Jan van Beieren het recht om binnen een bepaald gebied molens te stichten. In 1452 verrijzen de eerste molentjes bij Enkhuizen, ongeveer waar nu het kerkhof ligt. Het zijn nog lichte molentjes, want de aannemer verbindt zich om ze weer overeind te zetten, ingeval ze bij een storm om zouden waaien. Kleine standertmolentjes, die aan hun ‘staart’ naar de wind gedraaid kunnen worden. Molens met draaibare kap komen pas veel later. Molentjes met geringe capaciteit, die maar weinig water per dag kunnen uitslaan. Maar, laten we het werk onzer voorvaderen niet met onze maten meten! Hier is triomf behaald, hier is gepoogd de eeuwenoude erfvijand te bedwingen. Er komt meer land droog, de heerde strekt zich steeds verder op, van Stede Broec tot aan de Noorderdijc. Het land krijgt meer waarde, het wordt beter bewoonbaar, het wordt hier goed wonen ‘aendijck’. Hier groeit een geslacht van stoere werkers, van onversaagde vechters tegen de erfvijand, vrije Westfriezen in een op de zee bevochten land!

De eerste windmolen
De eerste windmolen

Niet alleen binnendijks wordt land gewonnen. Indertijd zijn (uit zuinigheid?) grote stukken land buitengedijkt en ook die worden nu aan de zee betwist.
Nog voor Enkhuizen stadsrechten kreeg in 1355 was daar reeds een grote buitenpolder, de latere ‘Immerhornpolder’. Bij Wervershoof wordt in de 14e eeuw de ‘Heerhuigenkoog’ bedijkt, nu de ‘Kagebos’. Op 25 September 1415 staat Willem IV het zijn goede luiden die in Kathoirn gelandt zijn, d.w.z. die hun land in de Kathoek hebben, toe het land tot een korenland te bedijken.

In 1448 geeft Filips van Bourgondie zijn ‘ondersaten’ verlof een ‘uitlandt’ van circa 80 morgen te bedijken tussen Kathoek en Reyngersvliet. Dit poldertje bestaat nog in 1513, maar de watervloed van 1570 verzwelgt het. De jeugd van tegenwoordig zwemt lustig op de plek waar eens het koren ruiste. Op oude kaarten zien we de Kathoek aangeduid als ‘Pieter Neefsberg’ en de plaats van de dijkdoorbraak van 1570 als het ‘Bergerweeltje’. Een ‘weel’ of ‘waal’ is een diepe kom aan de binnenkant van de dijk, waar eens het water wielend en kolkend door de doorbraak stortte. Zo'n wiel is niet dan met grote kosten, soms door ‘schepen te laten zinken’, te dempen en daarom legden onze vaderen de nieuwe dijk er eenvoudig omheen. Zulke walen waren er voor 1920 nog: bv. waar nu het Betonpad ligt, verder twee tussen de Bakkershoek en de Middenweg en een voorbij de Bakkershoek in de Grootebroeker inlaag, nu de binnendijk van de proefpolder. Deze kuilen zijn na de storm van 1916 met zand gedempt en daarmee is weer een herinnering aan de strijd van onze vaderen tegen het water verdwenen.

Enorme offers aan inspanning en geld heeft deze strijd gekost. In 1514 moesten die van Grootebroek ‘up elke mergen land onderhouden 18 roeden zeedijcx, noch up elken mergen 2 roeden indijcx, alle welke dijckagien jaerlicx bedraegen upten mergen deen jaer deur tandere 25 stuvers...’, etc.
De gemiddelde waarde van het land was toen 35 gulden per morgen en de huurwaarde 3 gulden per jaar. Juist in dat jaar 1514 werd het land geteisterd door een vreselijke stormvloed op Sinte Jeroensdag... weer het oude liedje!


© 2001-2022 | Sitemap | Contact

Westfries Genootschap