Kistemaker

Thuis » Boeken » Groei en Bloei van de geschiedenis van Andijk » Pagina 86-90

9. Gezondheids- en armenzorg

Armenzorg in de oude tijd

‘Die goeie ouwe tijd.’ Nou, vergeet 't maar. Ik wil U even mee terug nemen naar de tweede helft van de achttiende eeuw. Naar de zogeheten ‘pruikentijd’. Een tijd met zeer rijke en met zeer arme mensen. Voor die arme mensen was het een barre tijd. Voor hen was het leven hard. De sociale zorg was lang niet zo goed geregeld als tegenwoordig. Voor de armen was er slechts de diaconie van de kerk. Ik neem U even mee terug in de tijd aan de hand van het diaconieboek van de Buurtjeskerk te Andijk. Toen nog een gereformeerde kerk. Pas in 1815 werd het een nederlands hervormde kerk. Het boek geeft een aardig beeld van de wijze, waarop er door de diaconie voor de armen werd gezorgd. De giften werden meestal in natura verstrekt. Het dagelijks brood was immers het meest nodig.
We vinden tal van posten voor brood, geleverd door de plaatselijke bakkers Gerrit Masereeuw, Gerrit Prins, Tijs Koolhaas en anderen.
De armen kregen ook echte boter. Margarine was er namelijk nog niet:

10 maart 1770, aan weduwe Sjerp Imkes (Rigt Ipes) butter voor David (Jacobsz.) 37.16.00.

Er werd gerekend in guldens, stuivers en penningen. Een gulden was 20 stuivers, een stuiver was 16 penningen.
De diakenen konden met dit systeem goed terecht, hun optellingen kloppen keurig! We vinden nog verscheidene posten met ‘Butter van Rigt’. Zij woonde ‘in 't velt achter Bovenkarspel’ en was kennelijk een flinke boerin!
De diakenen, die meestal zelf boer waren, leverden graag kaas aan de diaconie. Bijvoorbeeld:

1766 aan Lieuwe Willems betaalt voor 102 pond kaas 10.06.00.
aan Jan Dral betaalt voor 103 pond kaas 12.06.00.
De kaas kostte dus nog geen dubbeltje per pond.

Voor spek en vlees werd eveneens gezorgd. In November 1766 kochten de diakenen zelfs een heel varken:

1766, de sijs (cijns) voor een hokling en een varken betaald 02.08.00.
Een varken gekocht van Yakop Fijn voor 16.00.00.
1768, aan Grote Sijmen voor een varken 16.18.00.
Aan de oude Pieter Mantel voor slagdood (slachtersloon) 01.16.00.
Voor fl. 1,80 werd er dus een heel varken geslacht!

De boer-diakenen leverden ook vlees:

1766 aan Yan Best voor 1/4 vleesch 06.10.00.
1767 aan Volkert Best 1/8 piek koevleesch gelevert 04.15.00.

Bij de opkomst van de landbouw (de tuinbouw deed pas later zijn intrede in deze contreien) werden er door de diaconie tevens landbouwprodukten verstrekt:

18 december 1772 aan Meindert Groen aardappelen voor David 11.08.00.
1 february 1799 aan dezelfde voor 4 manden aardappelen 01.04.00.
Meindert Groen was de eerste aardappelteler op Andijk.

Ook peulvruchten kwamen aan bod. Voornamelijk grauwe erwten:

26 Juni 1773 aan Klaas Oostwouder 1/4 zak erte voor Davit 01.10.00.
21 April 1789 aan Klaas Fedes voor 1 loopen grauwe erte 08.00.00.
8 April 1790 aan Pieter Vreeksz. voor 1 taak grauwe erte 05.08.00.
Wie weet er nog hoeveel een loopen of een taak bedroeg?

Verder vinden we uitgaven voor gort en meel. Pap en brij waren volksvoedsel. Groenten werden nog maar weinig gegeten.
Kruidenierswaren werden eveneens soms verstrekt. Een keer worden die winkelwaren ‘ebrawaren’ genoemd: eetbare waren:

1 Januari 1770 aan Jan Okke ebraware voor David 15.00.00.
David Jacobsz. was jarenlang vaste klant van de diakonie.
Hij had in de eendenkooi van Klaas van der Velde gewerkt, maar
was - met het klimmen der jaren - tot armoede vervallen.

In de wintermaanden verstrekte de diaconie soms ook brandstof aan de armen. Meestal turf, want steenkool was onbereikbaar duur:

8 December 1762 aan Jan Kort voor Klaas Bakker 12 ton turf,
de ton 9 1/2 stuiver, 05.14.00.

Die ton was in dit geval een geijkt vat. Dus geen 1000 kilo. Curieus zijn ook de uitgaven voor logtriet. Dat spul was goedkoper dan turf en kon bosje voor bosje onder de ketel worden verstookt. Dat er daarbij wel eens een rietpluis door de kamer zweefde mocht niet hinderen:

30 maart 1776 aan Willem Sijmensz een voer logtriet 01.04.00.

We vinden voorts verschillende uitgaven voor wijn. Arme mensen en wijn? Dat is een contradictie. Maar waarschijnlijk betrof het de inkoop van wijn voor het avondmaal. Gezien ook het kwantum:

7 September 1773 Jacob Rootjes 22 flesschen Spaanse wijn 12.00.00.
Dat is nog geen 54 1/2 cent per fles. Sante!

Ook voor de zieken werd gezorgd:

30 september 1772 aan Jeremias van Dalen mestersloon voor David 07.16.00.
Hier wordt bedoeld meestersloon. Tot 1900 heette de dokter ‘meister’ omdat hij daarvoor ‘mr. chirurgijn’ werd genoemd.

De arme werd tot in het graf door de diaconie begeleid.
‘Van de armen begraven’ heette dat. En dat had geen beste klank, want een armenbegrafenis was uiterst sober. Het diaconieboek bevat uitgaven voor doodkisten, rouwkleed, klokluiden en de koop van een graf:

‘Heden, den 18den Januari 1778 hebben wij diaconen verkogt een
graf aan Cornelis Cornelisz. Boeier met condisje dat zoo wanneer
Pieter Mantel de oude komt te sterven, dat hij daar dan in begraven
moet worden, zijnde no. 46 en dat voor een somma van 22 guldens.’

Een paar maal vinden we een uitgaaf voor tabak:

8 Februari 1763 aan Jan Cobus 1/4 kostgelt en tabak 24.10.00.
21 augustus 1763 aan deselve voor tabak 01.15.00.
24 januari 1764 aan deselve voor tabak en nijloon 01.05.08.

In latere jaren vinden we deze uitgaven niet meer. Als er nog tabak in voorkomt is het in combinatie met (Goudse) pijpen en kaarsen voor de kerkeraadsvergadering.

Het bovenstaande waren allemaal uitgaven. Maar wat waren de inkomsten? Het geld moest toch ergens vandaan komen. Andijk had een arme kerk, in 1767 met de hulp van de Westfriese steden geinstalleerd. De kerken in de Streekdorpen - Bovenkarspel, Grootebroek, Hoogkarspel - waren van oudere datum. Zij bezaten vele bunders armenen wezenland, dat aan lidmaten van de kerk werd verhuurd. Andijk daarentegen bezat slechts een paar akkers, die aan inkomsten (huur/pacht) 12 tot 17 gulden per jaar opbrachten. De kerk bezat voorts nog enkele huisjes - waarvan een in Oostwoud - die door lidmaten zonder familie (erfgenamen) aan de kerk waren nagelaten.

Teeuwis Kort betaalde van 1763 tot 1769, 13 gulden akkerhuur. Vervolgens betaalde jan Groot jarenlang akkerhuur van 15 tot 17 gulden. Tot hij op 16 maart 1807 de akkers kocht voor een bedrag van 680 gulden. De miljoenen van Sluis en Groot vinden hier hun oorsprong!

Verder was er het ‘armenzakje’; de klinkbuul, met onderaan een belletje voor de slapers! Voor het decimale stelsel werd ingevoerd was er een enorme variatie aan munten in omloop. Andijk telde ook zeevarenden onder haar inwoners, die van hun reizen soms vreemde munten mee namen.
‘Malle of ofsette duyte’ noemde men die. Daarom moest er af en toe een diaken naar Enkhuizen, om aldaar ‘malle duyte’ en soms ook enig zilver, day door de gestorven arme was nagelaten (bijvoorbeeld in de vorm van een zilveren schoengesp) in te ruilen voor gangbaar geld:

2 januari 1765 de ofiette duyte verruylt     17.04.04
1 maart 1779 van oude zilvere knope verruylt    01.08.00
Dat was een bedrag van ƒ 1,40. Wat zouden ze nu opbrengen?

Een flinke dreun in de kas was een legaat van Cornelis Pool, die duizend gulden aan de diaconie vermaakte.

28 April 1786 uyt de boedel van Cornelis Pool      1000.00.00

Dat was een rijke! Wie helemaal niets bezat verviel aan de diaconie. Wie nog werken kon bijv. iemand die wegens gevorderde leeftijd uit het weeshuis te Grootebroek ontslagen was, en geen familie had, werd ‘bestedeling’. Hij of zij werd door de diaconie uitbesteed bij een boer, die werk had. En op een koopje uit was! De bestedelingen zullen hier wel niet verveild zijn, zoals dat in Belgie gebruikelijk was en in het gedicht de ‘bestedeling’ van jan Beers uitvoerig getekend wordt.
Zo'n bestedeling was Marij Cornelis’. Ze werd nooit anders genoemd, vrouwen hadden in die jaren gewoonlijk geen achternaam. Haar kleding werd door de diaconie tot en met verzorgd: naailoon, kleren, mutsen, nieuwe schoenen(fl. 1,40), nieuwe klompen (fl. 0,45), dunne schoenen (zeildoeken sokken), en af en toe wat zakgeld. Ze werd bij een boer uitbesteed:

31 januari 1763 van Petrus van Broek ontvangen de huur van Mary Cornelis’,
na aftrek van haar verschot melkloon en ses weken, die niet uitgediend zijn 13.14.00.

Zes weken niet uitgediend! Is ze half november 1762 ziek geworden?

7 februari 1763 van Jan Best de huur van Marij Cornelis’ voor 1761 05.09.00

Deze dikke boer betaalde dus een jaar te laat! Marij wordt nu bij Pieter Mantel uitbesteed:

Idem aan Pieter Mantel een jaar costgelt voor Marij Cornelis' 100.00.00.
31 December 1764 aan Pieter Mantel een jaar costgelt voor Marij Cornelis’ en eenig onderhout 98.02.00.
1767 aan kleren en buelgeld voor Mary Cornelis’ 22.00.00.

Dat is de laatste post, die we van haar vinden. Waar is zij gebleven? Op 6 februari 1772 trouwde zij met Klaas Cornelisz. Bakker, een arme schoenmaker, die later vaste klant bij de diaconie werd. Voor Mary Cornelis’ werd het dus een leven in armoe. Op 12 mei 1790 werd zij op het kerkhof van Buurtje begraven. Een graf in de kerk was er voor de armen niet bij.

Dat was tijdens het Koninkrijk Holland van ‘Lodewijk’ Napoleon.


© 2001-2022 | Sitemap | Contact

Westfries Genootschap