Kistemaker

Thuis » Jaarboeken "Oud Andijk" » 1985 » pagina 31

Folkloristische aantekeningen betreffende Oud-Andijk (2/3)

Maar is zij een rijke boerin, dan heeft zij een drie- of vierdubbele streng bloedkoralen (van de koraalzee, de koraalriffen) om de hals, met een gouden slot of "boot". En als zij met de boer met eigen gerij naar de stad gaat, dan heeft zij een kap op ... zo'n fraaie Westfriese kap-met-kanten. Dan draagt zij vol trots het gouwen-oorijzer met een "poot" en juwelen voornaalden en stekers. Zij draagt dan ook een beugeltas en daar zit van alles in: een kanten zakdoek, een pepermunt- of een loddereidoosje (genoemd naar "l'Eau de la Reine") een zilveren "knip" (beursje), een naaldenkoker van goud of zilver, met een kleine dito vingerhoed en naairing, een "musketonje" (reuktonnetje), enz.

Woningtoestanden:
Het leven op de boerenplaatsen is rustig, vooral op de veldhuizen, waar "ze bij de ramen opvliegen als er een vreemd mens voorbijgaat!" Een of twee keer in de week komt daar de bakker, met een schuit en zo af en toe eens een "lapjespoep", ook met de schuit en in het voorjaar landt er de pottenschuit aan, met een keur van porselein en aardewerk en fraai gekleurd glas, dat fonkelt in de zon. De boerinnen en hun meiden kijken zich de ogen uit aan zoveel weelde ... de meiden vooral, want de meiden en knechten komen maar zelden van de plaats af ... Zij moeten immers altijd lopen als zij ergens heen willen. want fietsen zijn er nog niet. De boerenjongens gaan met eigen gerij of te paard, met kleurig zadel.

Zo was er eens een boerenmeid, die met haar baas mee naar Hoorn mocht. Ze hadden Hoorn bekeken en de boer liet haar ook eens de Westerdijk kijken. Dat had ze nog nooit gezien en vol verwondering vroeg ze: "Maar baas, is dat alles nog wereld?".

Kom maar mee naar die grote boerenplaats: De stoepmeid is juist bezig het boerengoed – het melkgerei – te boenen. Wat er in het water drijft van de sloot zullen wij maar niet verder definiëren. Onder de stoep etaat een stapeltje pannen en borden te weken in het slootwater. Enkele meters verder staat het "huisje", de plee, en aan de andere kant van de stoep ligt de mestvaalt. Het slootwater is verre van helder, maar dat hindert niet, "Dat hoort zo om deuze toid van 't jaar". De meid spoelt zonder bezwaar het melkgerei in de sloot om, Straks zal ze ook daar de etensborden doen. Bah, zult U zeggen, dat is niet zindelijk. Maar daar beledigt u onze boerinnen mee. Niet zindelijk? Kraakzindelijk zijn ze, overdreven zindelijk zelfs, alleen ze hebben geen bacillenvrees.

In de bedstee van de boerenplaats ligt de dochter van de boer, Ze is bleek, ze zweet en hoest ... een korte, droge hoest en bij elke hoest kleurt een blosje haar vangen. Och, zo zijn er zoveel! Dat is de "witte ziekte", dat is tering, daar doe je niets tegen, dat is erfelijk.


© 2001-2022 | Sitemap | Contact

Westfries Genootschap